Kop
         
 

Editie 5-2018


Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Beroepsopleidingen
die binnenkort van
start gaan:


Opleiding tot
financieel
medewerker
uitkerings-
administratie
,
start 23 oktober

Basisopleiding tot
overheidsmediator
,
start 30 oktober

Basisopleiding tot
bewindvoerder
,
start 8 november

Daarnaast beginnen
binnenkort de:


Verdiepingscursus
Participatiewet

(7 dagen), start
1 oktober

Starterscursus
voor financieel
medewerkers
(7 dagen),
start 1 november


Vers van de pers:

Handboek Participatiewet,
versie september 2018

Handreiking Bbz 2004,
versie juli 2018


Klik hier voor een
overzicht van alle
nieuwsbrieven

van Langhenkel


Klik hier voor een
overzicht van ons
aanbod voor wijkteams


Klik hier voor een
folder met al onze
vaardigheidstrainingen


De gratis praktijktools
van Langhenkel


Personele
ondersteuning
nodig?
Mail naar detachering@langhenkel.nl


We hebben nog
enkele plaatsen
beschikbaar bij
onder andere de
volgende cursussen
en trainingen:

Cursus mentorschap
en curatele voor
bewindvoerders
,
25 september in
Rosmalen

Cursus Participatiewet,
Wet maatschappelijke
ondersteuning,
Jeugdwet en
schuldhulpverlening
in vogelvlucht
,
25 september in
Zwolle

Cursus gegevens-
verwerking Wmo
2015 en Jeugdwet
voor financieel-
administratieve
medewerkers
,
26 september in
Breukelen

Workshop bijstand
en belastingen
,
26 september in
Zwolle

Actualiteitencursus
Wmo 2015
,
27 september in
Zwolle

Actualiteitencursus
Participatiewet
,
1 oktober in
Rosmalen

Verdiepingscursus
Participatiewet
,
start 1 oktober in
Zwolle

Cursus debiteuren-
administratie
,
8 oktober in
Breukelen

Cursus indicatie-
stelling Wlz voor
medewerkers van
zorgkantoren en
-verzekeraars
,
17 oktober in
Rosmalen

Workshop infographics
voor beleidsadviseurs
,
18 oktober in
Zwolle

Cursus indicatie-
stelling Wlz door
het CIZ voor het
sociaal (wijk)team -
de juiste verwijzing
,
23 oktober in
Rosmalen

Opleiding tot
financieel medewerker
uitkerings-
administratie
,
start 23 oktober in
Zwolle

Cursus loonstrook-
analyse Participatiewet
,
29 oktober in Zwolle

Basisopleiding tot
overheidsmediator
,
start 30 oktober in
Rosmalen of Zwolle

Cursus bijzondere
bijstand en
inkomenstoeslag
,
30 oktober in
Zwolle

Cursus IOAW / IOAZ,
31 oktober in
Rosmalen

Starterscursus
voor financieel
medewerkers/
uitkerings-
administrateurs
,
1 november in
Zwolle

Cursus mentorschap
en curatele voor
bewindvoerders
,
5 november
in Breukelen

Cursus inkomens-
voorzieningen voor
bewindvoerders
,
6 november
in Zwolle

Workshop bijstand
en belastingen
,
6 november in
Rosmalen

Basisopleiding tot
bewindvoerder
,
start 8 november in
Zwolle

Starterscursus
bewindvoering in
de praktijk
, start
8 november in
Zwolle

Basiscursus
Participatiewet
voor re-integratie-
professionals
, start
13 november in
Zwolle

Cursus Participatiewet,
Wet maatschappelijke
ondersteuning,
Jeugdwet en
schuldhulpverlening
in vogelvlucht
,
13 november in
Rosmalen

Basiscursus integrale
benadering sociaal
domein
, start
14 november in
Rosmalen

Cursus arbeids-
re-integratie en
statushouders
,
start 22 november in
Rosmalen

Cursus uitkerings-
berekening Participatiewet
,
start 22 november in
Zwolle

Basiscursus terug-
en invordering
,
start 27 november in
Zwolle

Cursus beleid maken,
beleid schrijven
,
start 28 november in
Breukelen

Cursus de marginale
zelfstandige in de
Participatiewet
,
6 december in
Rosmalen

Cursus mentorschap
en curatele voor
bewindvoerders
,
11 december
in Zwolle

In company maatwerk
Ons gehele opleidings-
aanbod kan ook in
company en op maat
worden verzorgd. Voor
meer informatie of een
vrijblijvende offerte
mailt u naar opleidingen@langhenkel.nl
 

Dit is de vijfde uitgave van De Langhenkel Nieuwsbrief werk & inkomen in het jaar 2018.

Deze nieuwsbrief wordt samengesteld door Robin Hutten, staffunctionaris en docent bij Langhenkel Opleiding, & Training & Advies. Voor opmerkingen of suggesties over de Langhenkel Nieuwsbrief kunt u Robin bereiken via telefoonnummer 06 - 5575 14 98 en 038 - 467 72 00 of per e-mail: rhutten@langhenkel.nl. Ook als u beschikt over interessante uitspraken die naar uw oordeel dienen te worden opgenomen in de nieuwsbrief, dan vernemen wij graag van u.

Nieuwsbrief ook ontvangen?
De nieuwsbrief wordt verstuurd aan onze medewerkers, klanten en overige belangstellenden. Wilt u daar bij horen? Klik hier.


INHOUDSOPGAVE

NIEUWSBERICHTEN

De belangrijkste wijzigingen voor werk en inkomen Prinsjesdag

Loondispensatie van tafel

Grootschalige fraude met WW

SCP kritisch op de Participatiewet

Het aantal bijstandsuitkeringen blijft dalen

Raad van State geeft ongevraagd advies over digitalisering overheid

Rotterdam gaat beleid tegenprestatie aanpassen

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bestaat 100 jaar

Surinamers in Amsterdam roepen lokale politiek op voor herstel AOW-gat

En verder ...

JURISPRUDENTIE, lees verder

ARTIKELEN

Grote kamer uitspraak gevraagd

Nieuwe regelgeving voor mediation bij en met de overheid?


NIEUWSBERICHTEN

De belangrijkste wijzigingen voor werk en inkomen Prinsjesdag

Meer baanzekerheid
Veel mensen met tijdelijk werk willen graag een vaste baan. Werkgevers willen doorgaans juist meer vrijheid. Het kabinet wil daarom het nu voor werkgevers aantrekkelijker maken om mensen vast aan te nemen.

Langer partnerverlof bij geboorte kind
Partners krijgen 1 week geboorteverlof als hun vrouw of vriendin net is bevallen. Dit doorbetaalde verlof is nu nog 2 dagen. Ook mogen ze het eerste half jaar 5 weken onbetaald vrij nemen met recht op een UWV-uitkering van 70 % van hun loon. Zo wil het kabinet dat jonge ouders meer tijd samen met hun kind hebben.

Meer mensen met arbeidsbeperking aan het werk
Er moet simpelere regelgeving komen zodat het voor werkgevers makkelijker wordt om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen.

Hiervoor wil het kabinet onder andere de regels rond beschut werken, de Wajong en de loonkostensubsidie aanpakken. Een belangrijk uitgangspunt voor het kabinet is dat werken moet lonen voor mensen met een arbeidsbeperking die gaan werken vanuit de uitkering (zie ook het artikel hieronder).

Meer controles op discriminatie op de arbeidsmarkt
Om discriminatie van werkzoekende jongeren, vrouwen, ouderen en migranten aan te pakken, gaat de inspectie SZW meer en strenger controleren. Bijvoorbeeld door regelmatige bedrijfsbezoeken en anonieme controles. Bedrijven die discrimineren kunnen boetes krijgen.

Lasten omlaag
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle Nederlanders kunnen profiteren van de sterke economie. Zo neemt bijvoorbeeld het besteedbaar inkomen toe van huishoudens met een inkomen tot € 50.000 per jaar. Dit komt door een verhoging van de algemene heffingskorting.

Minder mensen in de schulden
Gemeenten moeten inwoners met grote schulden beter en eenvoudiger kunnen helpen. Ook moeten bijvoorbeeld wachttijden bij de schuldhulpverlening korter worden. De Rijksoverheid heeft 40 actiepunten opgesteld om het aantal mensen met grote schulden te verminderen.

Snellere inburgering
Migranten moeten sneller een baan vinden, Nederlands leren en integreren. Daarom krijgen gemeenten meer verantwoordelijkheid voor de inburgering. Zij moeten voor iedere nieuwkomer een persoonlijk inburgeringsplan maken en de inburgeringscursus inkopen. Naast de cursus moeten nieuwkomers zo snel mogelijk aan het werk.

Bron: Rijksoverheid.nl

Naar boven

Loondispensatie van tafel

Op 7 september 2018 bracht het kabinet, verrassend genoeg, naar buiten dat zij af zal zien van het invoeren van loondispensatie in de Participatiewet. In het Regeerakkoord van afgelopen najaar was het invoeren van deze regeling opgenomen. Op deze manier zou het voor werkgevers eenvoudiger worden om een persoon met een arbeidsbeperking aan te nemen. De werkgever zou dan alleen nog het loon betalen naar de daadwerkelijke prestatie op het werk van deze persoon en de gemeente zou er met het verstrekken van een aanvulling op dat loon een nieuwe taak bij krijgen. Het kabinet hield er rekening mee dat op deze manier 500 miljoen euro bespaard kon worden, wat direct zou gaan naar het realiseren van extra beschut werk.

De loondispensatie deed al vrij snel veel stof opwaaien. Enerzijds over het onderbetalen van personen met een arbeidsbeperking, waardoor een gevoel van discriminatie optrad, en anderzijds waren er flinke zorgen over de loonaanvullingsregeling die de gemeente zou uitvoeren. Hierdoor ontstond het beeld dat er voor arbeidsbeperkten geen financieel verschil zou bestaan tussen werken of in een uitkeringspositie zitten. Tijdens een kamerdebat op 26 april jl. is er over deze zorgen gedebatteerd. In dit debat beloofde de staatssecretaris dat zij zich aan de hand van de geschetste problematiek goed zou bezinnen op de loondispenstatie, bijvoorbeeld door het zorgen voor een goede en ruimhartige loonaanvullingsregeling. Ook zegde zij toe met betrokken organisaties in gesprek te gaan.

Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de loondispensatie toch niet ingevoerd zal worden. Hiermee is ook de in eerste instantie ingecalculeerde bezuiniging en investering in beschut werk van de baan. Al was dit principe al onder druk komen te staan toen een ruimhartiger loonaanvullingsregeling werd toegezegd. Naar aanleiding van dit nieuwsbericht is er op 7 september jl. een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met daarin een nadere uitleg van de staatssecretaris. Ook geeft ze hier een toelichting op datgene dat wel gedaan zal worden om de uitvoering en successen van de Participatiewet naar een hoger plan te tillen.

Nu de loondispensatie naar het oordeel van de staatssecretaris niet de gewenste vereenvoudiging brengt, overweegt zij een breed offensief. Dit 'aanvalsplan' moet zorgen voor een eenvoudiger uitvoering en meer arbeidsplaatsen voor personen met een arbeidsbeperking. Het offensief bevat de volgende elementen:

  • Het bestaande instrument loonkostensubsidie wordt verbeterd en vereenvoudigd
    Er wordt gedacht aan het invoeren van één landelijk vastgestelde methodiek om een loonwaarde te bepalen. Dit moet werkgevers een beter inzicht bieden in hoe de hoogte van de subsidie tot stand komt. Daarnaast wil de regering naar een uniforme verantwoording van de loonkostensubsidie, nu richt elke gemeente dit proces nog zelf in.
  • Werken met loonkostensubsidie moet lonen, ook voor mensen die in deeltijd werken
    Om deeltijdwerk ook lonend te maken overweegt de regering om een nieuwe inkomensvrijlating binnen de Participatiewet in te voeren náást de vrijlating voor de personen met een medische urenbeperking. Zo merken parttimers ook dat werken financieel gunstig is.
  • De matching tussen werkgevers en werknemers krijgt een extra impuls
    Wat de regering betreft moet er gewerkt worden aan de zichtbaarheid en herkenbaarheid van de werkgeversservicepunten. Zodat het ook helder is voor werkgevers dat dit hét aanspreekpunt voor hen is.
  • De regels rond banenafspraak en quotum moeten eenvoudiger worden
    De telling van de resultaten rondom de banenafspraak is nu te complex en zal vereenvoudigd gaan worden. Ook wordt overwogen om werkgevers die meer banen realiseren dan verwacht hiervoor te belonen.
  • De Wajongregels worden logischer en stimuleren mensen om te gaan studeren of meer te werken
    Om onzekerheden weg te nemen bij Wajongers komt er een eenduidiger uitvoering van de inkomensvoorziening. Doordat er nu drie verschillende regimes binnen de Wajong bestaan zijn jonggehandicapten vaak onzeker over hun terugvalopties, wat hen tegen kan houden om te gaan werken.
  • Beschut werk krijgt een extra impuls
    Door middel van bijeenkomsten, intervisie sessies en een-op-eenkoppelingen tussen gemeenten, zal er kennisoverdracht over beschut werk plaats moeten vinden. Ook moet er meer aandacht komen voor het ontwikkelen van arbeidsvermogen binnen dagbesteding om vervolgens door te kunnen stromen naar beschut werk. Ook het doorstromen van beschut werk naar een reguliere werkplek zal de nodige aandacht krijgen.

Naar boven

Grootschalige fraude met WW

In de uitzending van 3 september jl. onthulde Nieuwsuur grootschalige fraude met WW-uitkeringen onder Poolse werknemers. Na een periode van werken in Nederland keren zij terug naar Polen en gebruiken ondertussen hun opgebouwd WW-recht om een uitkering te krijgen. Formeel is er wel een recht op WW opgebouwd, maar omdat er niet meer in Nederland wordt verbleven en omdat men op deze manier niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, gaat het toch wringen.

Het blijkt dat er speciale administratiekantoren zijn die, tegen betaling, de WW-aanvraag realiseren en ook zorgen voor een adres van inschrijving in het bevolkingsregister. Er zijn voorbeelden bekend van adressen waar meer dan 50 arbeidsmigranten ingeschreven staan en het UWV aan de personen op dit adres een WW-uitkering verleent. Met de arbeidsmigranten wordt afgesproken dat zij, wanneer zij een uitnodiging voor een gesprek krijgen, wel naar Nederland moeten komen. De rest van de administratie wordt door deze kantoren gedaan. Zij houden bijvoorbeeld ook de werkmap bij.

In deze werkmap moeten de sollicitatie-activiteiten worden bijgehouden. Gebruikelijk is dat een WW-gerechtigde maandelijks vier van dergelijke activiteiten onderneemt. Om deze arbeidsverplichting na te leven wordt er door deze bureaus gesolliciteerd. Zij hebben goed in beeld voor welke werkzaamheden en bij welke bedrijven men niet staat te springen om arbeidsmigranten. Dit zijn dan ook de bedrijven waar de meeste sollicitaties naar toe gaan. De adviesbureaus geven adviezen over de reis naar Polen, liefst niet met het vliegtuig, maar ook om de Nederlandse bankpas niet in het buitenland te gebruiken. In sommige gevallen werd de bankpas zelfs bij de tussenpersoon achtergelaten.

Het UWV blijkt al langere tijd op de hoogte te zijn van deze vorm van fraude. Al in 2012 zijn de eerste vormen van verblijfsfraude met WW ontdekt, het UWV geeft echter aan dat het toen nog niet ging om een grootschalige fraude met tussenpersonen. Dit is pas later ontdekt. Uit een steekproef door het UWV is gebleken dat bij ongeveer 30% van de uitkeringen die zijn aangevraagd via een tussenpersoon, er sprake is van verblijfsfraude. Het UWV geeft aan dat dit hoge percentage aanleiding geeft om diepgravend onderzoek te doen naar deze fraude.

In de Tweede Kamer is onthutst gereageerd op de uitzending van Nieuwsuur. Tijdens het Vragenuur van 14 september zijn er vragen gesteld aan minister Koolmees. Hij geeft aan dat fraude onacceptabel is en hard aangepakt moet worden. Hij belooft de Tweede Kamer in de loop van september op de hoogte te brengen van de totale omvang van de fraude en ook welke maatregelen er genomen gaan worden om deze te bestrijden.

De reactie van het UWV op de uitzending van Nieuwsuur leest u hier.

Naar boven

SCP kritisch op de Participatiewet

Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) is in een rapport van begin september 2018, vrijwel tegelijkertijd met het bericht over het niet invoeren van de loondispensatie, kritisch op de Participatiewet (PW). In dit onderzoek komt zij tot de conclusie dat de baankans voor een persoon met een arbeidsbeperking is afgenomen. Vlak voor het invoeren van de Participatiewet had een persoon die op de wachtlijst van de sociale werkvoorziening (WSW) stond nog een kans van 51% op een baan. Dit is inmiddels teruggelopen tot maar 30%. Hierdoor stelt het SCP vast dat de PW nog niet het beoogde succes in zich heeft.

Hierbij hoort wel de nuance van het SCP bij dat ze alleen beschikken over de cijfers van 2015 en 2016. Gemeenten waren in deze jaren nog erg aan het zoeken op welke wijze zij invulling konden geven aan de opdrachten vanuit de PW. Het zou dus kunnen dat de baankans inmiddels iets opgelopen is. Eind 2019, de PW bestaat dan 5 jaar, vindt er een wettelijk evaluatiemoment plaats, dan zullen alle resultaten op een rij worden gezet.

Eén van de oorzaken die wordt genoemd is het afsluiten van de WSW voor nieuwe instroom en dat gemeenten hierdoor voor hun plaatsingen zijn aangewezen op de reguliere arbeidsmarkt. Dit is een lastige opgave gebleken. Synchroon aan het teruglopen van de kans op werk, signaleert het SCP dat de afhankelijkheid van een uitkering, voornamelijk bijstand op basis van de PW, groter is geworden. Het aantal personen met een arbeidsbeperking en een, mogelijk aanvullende, uitkering is gegroeid.

Het gehele rapport van het SCP vindt u hier.

Naar boven

Het aantal bijstandsuitkeringen blijft dalen

Uit de meest recente statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat het aantal mensen met een bijstandsuitkering blijft dalen. Eind juni 2018 waren er 449 duizend bijstandsontvangers tot de AOW-leeftijd. Dit zijn er 19 duizend minder dan een jaar eerder. De daling deed zich, net als vorige kwartalen, alleen voor bij bijstandsgerechtigden onder de 45 jaar. Zowel onder personen met een Nederlandse achtergrond, als met een migratieachtergrond is de bijstandsafhankelijkheid verminderd. De instroom van Syriërs in de bijstand is relatief sterk gedaald.

In de groep van personen tussen de 27 en 45 jaar is de daling nu al anderhalf jaar aan de gang en is er ten opzichte van een jaar geleden een daling van meer dan 14 duizend personen waar te nemen. De enige groep waar nog een kleine stijging van 500 personen is waar te nemen, is de groep personen van 45 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Jongeren weten inmiddels ook weer de weg uit de bijstand te vinden. In vergelijking met een jaar geleden is het beroep op bijstand bij hen met meer dan 5 duizend afgenomen.

Wanneer gekeken wordt naar de totale afname van 19 duizend, dan neemt de groep niet-westerse migranten bijna een derde van deze groep in beslag. Van deze 6 duizend is meer dan 4 duizend van Syrische komaf.

Naar boven

Raad van State geeft ongevraagd advies over digitalisering overheid

De Raad van State (RvS) maakt zich zorgen over de huidige digitalisering van de overheid, hierover heeft zij eind augustus een zogenaamd ongevraagd advies over uitgebracht. Normaliter wordt de RvS gevraagd om advies uit te brengen bij nieuwe wetsvoorstellen, maar heeft ook de bevoegdheid om zelfstandig tot een advies te komen wanneer daar een aanleiding voor is.

Zo zijn er zorgen over de toegankelijkheid van de digitale overheid. Voor burgers is digitaal contact met de overheid namelijk niet altijd even makkelijk. De overheid bestaat feitelijk uit honderden organisaties die digitalisering niet allemaal op dezelfde manier aanpakken. Daardoor kan de burger het spoor bijster raken. Dat geldt des te meer voor mensen die door omstandigheden minder zelfredzaam zijn, zoals een groot deel van de doelgroep in het sociaal domein. Van hen kan niet altijd worden verwacht dat zij alle digitale kanalen van overheidsorganen in de gaten houden en de weg kunnen vinden in de digitale uitvoering van regels.

Toegang tot de overheid is een beginsel van behoorlijk bestuur, het liefst heeft deze toegang een lage drempel. Dit beginsel zal een digitaliserende overheid voortdurend in het oog moeten houden. Burgers hebben recht op zinvol contact met de overheid, waarbij zij serieus worden genomen en hun eigen gegevens kunnen inzien en (waar nodig) corrigeren.

Overheidsorganen gebruiken steeds vaker computers om besluiten voor hen te nemen. Deze besluiten komen tot stand door het gebruik van geautomatiseerde beslisregels (algoritmen), die volautomatisch besluiten nemen, zonder menselijke tussenkomst. Burgers kunnen dan niet meer nagaan welke regels de overheid toepast en welke gegevens zij voor een besluit gebruikt. Daar bovenop geldt dat een volautomatisch genomen besluit in strijd is met de richtlijnen vanuit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Er wordt daarom aangeraden om scherp te letten op een goede motivering van besluiten. Daarbij moet duidelijk zijn welke beslisregels zijn toegepast en wat de bron is van de ingevoerde gegevens. Bij geautomatiseerde besluitvorming blijft maatwerk belangrijk. Een menselijke blik blijft nodig, om te beoordelen of van de regels moet worden afgeweken. Sommige besluiten kan een overheidsorgaan niet zonder menselijke interventie nemen, wil er met alle omstandigheden rekening kunnen worden gehouden. Alleen op die manier kan een overheidsorgaan voorkomen dat het individuele burgers onevenredig benadeelt.

De wetgever lijkt niet altijd voldoende rekening te houden met de nieuwe digitale werkelijkheid. Daarom vindt de Afdeling advisering het verstandig dat de wetgever bij nieuwe wetten en regels al vanaf het begin aandacht besteedt aan de gedigitaliseerde uitvoering van die wetten en regels. Dat moet precies en gestandaardiseerd, juist als voor een gedigitaliseerde uitvoering wordt gekozen. Verder moet de wetgever zich bewust blijven van de mogelijkheid dat ICT zich sneller ontwikkelt dan wetten en regels kunnen bijbenen.

Lees hier de volledige tekst van het advies.

Naar boven

Rotterdam gaat beleid tegenprestatie aanpassen

Er waait een nieuwe wind door Rotterdam. Na de gemeenteraadsverkiezingen eerder dit jaar heeft de stad een PvdA-wethouder op de portefeuille Sociale Zaken. Het is dan ook geen verrassing dat Binnenlands Bestuur op 3 september jl. weet te melden dat het beleid ten aanzien van de tegenprestatie in deze stad op de schop gaat. De tegenprestatie is bedoeld om personen in de bijstand maatschappelijke nuttige werkzaamheden te laten verrichten in 'ruil' voor een bijstandsuitkering. In de afgelopen jaren is het beleid van de gemeente Rotterdam aangehaald als voorbeeld van streng beleid. De tegenprestatie mag immers op lokaal niveau worden ingevuld en vormgegeven.

Het aanpassen van het beleid past in een bredere visie waarin Rotterdam de komende jaren het aantal van 38 duizend personen met een bijstandsuitkering wil terugdringen met 8 duizend. De eerdere filosofie was dat dit vooral lukte door een tegenprestatie op te leggen en mensen zo te prikkelen om aan het werk te gaan. In de visie van de huidige wethouder zou dit beter moeten lukken door meer maatwerk te leveren en de bejegening en dienstverlening aan te passen.

Dit zal van invloed gaat zijn op het traject WerkenLoont, een periode van 15 weken waarin Rotterdammers, nadat de bijstandsuitkering is toegekend, cursussen volgen en door middel van een tegenprestatie werkervaring op doen.

De kritiek die gemeentelijke ombudsman Anne Mieke Zwaneveld in 2015 op WerkenLoont leverde, namelijk dat het verplichte papierprikken door veel uitkeringsgerechtigden als vernederend wordt ervaren, is voor wethouder Moti niet de reden om het beleid te wijzigen. Hij vindt vooral dat er in de tegenprestatie meer maatwerk moet worden toegepast. 'Deze verplichting heeft geen nut', zegt hij in het AD. De tegenprestatie moet volgens hem in het belang zijn van de arbeidsontwikkeling. Moti's woordvoerder laat weten dat zij verwacht dat het collegevoorstel in oktober aan de raad wordt voorgelegd en daar wordt besproken. Op de vraag wat het college wel en niet als 'passend' ziet, kan zij nog niet verder ingaan.

Naar boven

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bestaat 100 jaar

Op 25 september van dit jaar viert het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (MinSZW) haar 100e verjaardag. Voor deze gelegenheid is een site gemaakt met hierop de historie van het ministerie. Hier wordt de ontstaansgeschiedenis uiteen gezet en is te lezen wat er in de afgelopen eeuw op het ministerie is gebeurd.

Om de site te bezoeken klikt u hier.

Naar boven

Surinamers in Amsterdam roepen lokale politiek op voor herstel AOW-gat

Surinamers die niet hun volledige opbouw hebben gehad omdat ze voor hun pensioenleeftijd niet 50 jaar in Nederland hebben gewoond, zijn ontevreden. Zij voelen zich achtergesteld omdat zij hierdoor een lager AOW-pensioen hebben dan generatiegenoten die wel hun hele leven in Nederland hebben gewoond. Het Parool publiceert dat zij eerder hebben geprobeerd om bij de landelijke politiek een luisterend oor te vinden. Dit is tot nu nog niet gelukt. Vandaar dat Surinamers in Amsterdam zich wenden tot de lokale politiek. Wellicht vinden ze hier wel een ingang en kunnen ze via deze route wel hun geluid overbrengen aan de politiek in Den Haag.

Wethouder Groot Wassink, met portefeuille Werk en Inkomen, geeft aan dat het hier gaat om een onrechtvaardigheid die hersteld moet worden. In een brief uit 2017 aan de Tweede Kamer heeft, toenmalig, staatssecretaris Klijnsma al eens vragen over dit onderwerp beantwoord. Zij zag onder geen beding een mogelijkheid om te komen tot een regeling op dit punt. Argumenten om niet tot een regeling te komen liggen enerzijds op het vlak van gelijke behandeling, een regeling voor Surinamers zou volgens haar juist leiden tot een ongelijke behandeling van personen met een beperkte opbouw vanwege het niet wonen in Nederland. Daarnaast gaf zij aan dat in 2007 door het, destijds bestaande, College Gelijke Behandeling is aangegeven dat er door een dergelijke stellingname geen sprake is van een onrechtmatig onderscheid.

Naar boven

En verder ...

Naar boven


JURISPRUDENTIE

IOAW kent begrip redelijkerwijs beschikbare inkomsten niet

Naar aanleiding van diverse tips dat een IOAW-gerechtigde op verschillende adressen huishoudelijke werkzaamheden verrichte, is de gemeente Rotterdam een fraudeonderzoek begonnen. Tijdens het verhoor geeft belanghebbende aan dat zij dit deed op basis van vrijwilligheid en dat er geen verdiensten tegenover stonden. Voor de verrekening van inkomen met een IOAW-uitkering geldt het Algemeen inkomensbesluit (AIB). Nu zowel de IOAW als het AIB niet voorzien in een bepaling over redelijkerwijs beschikbare inkomsten, kan de gemeente ook niet stellen dat het hier om op geld waardeerbare werkzaamheden gaat. De Raad merkt op dat een dergelijke bepaling eerder wel in het AIB stond. Gezien de huidige tekst in het AIB kan het echter enkel gaan om daadwerkelijk genoten inkomsten. Nu dit niet is aangetoond door de gemeente, kan ook de intrekking en de terugvordering geen stand houden.

Voor de volledige uitspraak klikt u hier.

Naar boven

Gemeente hoeft bijstand voor tatoeëerder niet schattenderwijs vast te stellen

Een echtpaar ontvangt bijstand van de gemeente Enschede. Uit controles van onder meer Facebook, een huisbezoek en het horen van betrokkenen, blijkt dat er sprake is van het zetten van tenminste 20 tatoeages. De gemeente legt dit uit als op geld waardeerbare werkzaamheden en dit staat de Centrale Raad van Beroep ook toe. In beroep bij de rechtbank is het echtpaar echter in het gelijk gesteld op het punt dat de gemeente niet het gehele recht op bijstand zou mogen intrekken en herzien. Op basis van een richtprijs van € 500 per tatoeage zou er sprake zijn van een benadelingsbedrag van € 10.000,- in plaats van de oorspronkelijke terugvordering van bijna € 50.000,-. De Centrale Raad kijkt er echter anders naar en stelt dat het niet op de weg van de gemeente ligt om in dit geval de bijstand schattenderwijs vast te stellen. Zeker is dat er 20 tatoeages zijn gezet. Het is aan betrokkenen om aan te tonen en te onderbouwen wat een gemiddelde prijs van een tatoeage is en niet aan de gemeente. Dit maakt het schattenderwijs vaststellen onmogelijk nu betrokkenen geen informatie hebben gegeven over de omvang van hun werkzaamheden en aangeven dat het vooral om vriendendiensten zou gaan.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

De opgave op een formulier mag als leidend worden gezien

De gemeente Groningen geeft geen toestemming aan een persoon om als marginaal zelfstandige te werken. In beleidsregels heeft deze gemeente geregeld dat dit enkel kan wanneer er minder dan 1225 uur aan werkzaamheden in de eigen onderneming worden verricht. Op het formulier waarmee toestemming gevraagd dient te worden, vult deze persoon in dat hij 45 uur per week in zijn eigen onderneming werkt. Omdat hij hiermee niet voldoet aan de ureneis die de gemeente stelt, wijst de gemeente zijn verzoek af. In de procedure die wordt gevoerd stelt belanghebbende dat hij vanwege een gebrekkige taalbeheersing een fout heeft gemaakt bij het invullen. Nu hij op het formulier andere vragen in goed Nederlands heeft beantwoord, gaat deze stelling echter niet op. Puur op basis van de opgave op het formulier mag de gemeente het verzoek afwijzen. De latere stelling dat hij in de praktijk minder dan 24 uur per week aan zijn eigen onderneming besteed ten spijt.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Gemeente moet achteraf toch het recht op bijstand vaststellen

In deze zaak wordt bijstand verleend aan een alleenstaande ouder. Uit een onderzoek naar aanleiding van een signaal vanuit de belastingdienst, blijkt er een onbekende bankrekening te zijn. Het gaat om een bankrekening van haar zoon. Wanneer zij, op verzoek van de gemeente, deze afschriften inlevert, blijkt er nog een bankrekening te zijn op naam van haar zoon. Er wordt opnieuw een verzoek tot het leveren van informatie verzonden. Hierop wordt niet gereageerd. De gemeente besluit daarop over de gehele periode van 10 september 2013 tot 16 oktober 2016 de bijstand in te trekken en meer dan € 50.000,- terug te vorderen. Tijdens de bezwaarprocedure levert belanghebbende de afschriften van januari 2015 tot en met december 2016 in van deze tweede rekening. Een herhaald verzoek om ook afschriften vanaf september 2013 tot aan 2015 te ontvangen, heeft geen resultaat. Wel ontvangt de gemeente, zoals gevraagd, een verklaring van mevrouw over enkele opvallende zaken op haar afschriften zoals schenkingen. De gemeente besluit uiteindelijk het bezwaar ongegrond te verklaren. Pas in hoger beroep stelt de Centrale Raad vast dat, ondanks de bijzonderheden op de bankafschriften, het recht wel vastgesteld kan worden. In perioden dat er giften zijn dienen deze verrekend te worden met de bijstand in die periode en het meerdere moet worden opgeteld bij het vermogen. De gemeente wordt opgedragen om, rekening houdend met deze lezing, een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de periode januari 2015 tot en met oktober 2016.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Kosten nachtopvang hoeven niet als woonlasten gezien te worden

Een persoon die gebruik maakt van de nachtopvang voor dak- en thuislozen heeft te maken gekregen met een verlaging van zijn norm (met 15% van het netto minimumloon) omdat hij geen woonlasten zou hebben volgens de gemeente. Deze persoon denkt daar anders over en stelt dat de kosten die hij heeft aan maatschappelijke opvang ook gezien moeten worden als woonlasten. Hier voorzien de beleidsregels van de gemeente echter niet in, enkel lasten verbonden aan een woning, woonschip of woonwagen tellen als woonlasten. De verlaging geldt dus voor iedereen die geen woning bewoont. Nu de gemeente heeft onderbouwd dat de verlaging van 15% van het netto minimumloon lager is dan het bedrag aan basishuur in de huurtoeslag, vindt de Centrale Raad de verlaging ook redelijk en kan gesteld worden dat er voldoende ruimte in het inkomen is om de kosten van de opvang te kunnen betalen.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Gemeenschapsonderdaan uitgewezen na beroep op bijstand

Een gemeenschapsonderdaan heeft in Nederland gewerkt, maar is dit werk kwijtgeraakt en heeft nadien een beroep op bijstand gedaan. De IND trekt het verblijfsrecht in omdat na onderzoek blijkt dat er volgens het Vreemdelingenbesluit geen sprake is van rechtmatig verblijf. Deze persoon voldoet namelijk niet aan de voorwaarden om als werknemer gezien te worden en ook wordt er niet over voldoende middelen beschikt. Het feit dat een familielid haar tijdelijk heeft onderhouden en het feit dat zij heeft moeten stoppen met werken in verband met gezondheidsklachten, doen hier niet aan af. Ze kan alleen aan de hand van een loonstrook van haar familielid aantonen dat hij voldoende financiële ruimte heeft om haar te onderhouden, maar er is kennelijk geen garantverklaring. Ook wordt er onvoldoende onderbouwing gevonden voor de gezondheidsklachten. Dit betekent dat de IND terecht het verblijfsrecht van deze gemeenschapsonderdaan heeft beëindigd.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Verboden delegatie opstellen premiebeleid

In deze WWB zaak (nu PW) geldt dat aan artikel 8 de uitdrukkelijke werking is gegeven dat het aan de gemeenteraad is om vast te stellen op basis van welke regels er een premie voor een participatieplaats wordt verstrekt. Nu in de PW eenzelfde duidelijke opdracht in artikel 8 en 8a staat geformuleerd, behoudt deze uitspraak zijn werking. De gemeenteraad van de gemeente Maastricht heeft het vaststellen van het premiebeleid gedelegeerd aan het college van Burgemeester en Wethouders. In de juridische procedure stelt de gemeente Maastricht dat zij de regels wel hebben voorgelegd aan de gemeenteraad en dat zij hebben ingestemd. Dit is volgens de Rechtbank echter feitelijk anders dan het door de gemeenteraad laten opstellen van de regels. Betrokkene krijgt van de gemeente niet de oorspronkelijk in het vooruitzicht gestelde € 450,-, maar slechts € 300,-. Door de vaststelling van de Rechtbank Limburg dat deze regels als onverbindend moeten worden beschouwd, kunnen ook de rechtgevolgen niet in stand blijven en moet de gemeente een nieuw besluit nemen.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Vermoedelijke restschuld geen dringende reden bij voortzetting woonkostentoeslag

Bij een beroep op woonkostentoeslag hoort een verhuisverplichting. Belanghebbende bezit een eigen woning en daarom wordt van haar verwacht dat zij er alles aan doet haar woning zo snel mogelijk te verkopen, om zo naar een woning te kunnen verhuizen waarbij gebruik gemaakt kan worden van de huurtoeslag. Na afloop van het eerste jaar woonkostentoeslag vraagt zij een verlenging van deze toeslag aan. Uit onderzoek blijkt dat de woning nog niet te koop staat. Mevrouw betwist dit niet, maar geeft aan dat de restschuld die na verkoop zou overblijven uitgelegd moet worden als bijzondere omstandigheid. Hierin zou wat haar betreft ook meegewogen moeten worden dat een verhuizing gezien haar medische situatie niet mogelijk was. Nu mevrouw dit onvoldoende onderbouwt, kan dit laatste niet worden meegeteld. Daarnaast stelt de Centrale Raad dat een mogelijke schuldsanering of het inzetten van de beslagvrije voet, voldoende waarborgen bieden om een bestaansminimum te kunnen hebben. Het ontbreekt daarom aan bijzondere omstandigheden en hierdoor is het de gemeente toegestaan het verzoek tot verlenging van de woonkostentoeslag af te wijzen.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven


ARTIKELEN

Grote kamer uitspraak gevraagd
Belang van de privacy van de burger vraagt om helderheid over de inzet van opsporingsmiddelen

Beste lezer. Schrik niet maar ik ga u direct aan het werk zetten. Zoek de verschillen!

Dit stelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) in een recente uitspraak over het beëindigen van de permanente bewoning van een recreatiewoning1:
"De toezichthouder heeft zowel de recreatiewoning als de reguliere woning van belanghebbende geobserveerd en daarbij gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel van een fotocamera. Gelet op het aantal, de frequentie en de intensiteit van de observatie en fotografie (Noot GS: 18 controles over een periode van twee maanden) vormen deze waarnemingen een inbreuk op het recht op privéleven. Een dergelijke inbreuk moet gelet op artikel 8 tweede lid van het EVRM een wettelijke grondslag hebben. Artikel 5.2 eerste lid onder a. en b. van de Wabo biedt daarvoor een voldoende toegankelijke en voorzienbare wettelijke grondslag. Omdat het ging om kortdurende waarnemingen in een beperkte periode, vanaf de openbare weg, is de Afdeling van oordeel dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven in het licht van artikel 8 tweede lid EVRM gerechtvaardigd is. Het college heeft tot taak met het oog op handhaving van het bestemmingsplan gegevens te verzamelen. Het daarmee beoogde doel kan worden aangemerkt als het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid van het EVRM."

En dit is het oordeel van de Centrale Raad van Beroep in een tweetal uitspraken over de inzet van een camera2 (Noot GS: op zes achtereen volgende dagen) en een peilbaken3 (Noot GS: over een periode van twee maanden) als opsporingsmiddel:
"De inbreuk die met de inzet van het peilbaken (Noot GS: en de camera in de andere zaak) op het recht op privéleven wordt gemaakt, is overeenkomstig artikel 8 EVRM eerste lid, alleen dan toegestaan indien deze berust op een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag. De algemeen geformuleerde bepaling (van artikel 53a PW) vormt geen nauwkeurige wettelijke basis die voldoet aan de eisen die het EHRM daaraan stelt, evenmin als titel 5.2. van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat doet. De conclusie is gerechtvaardigd dat het college het bewijs heeft verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat gebruik hiervan door het college ontoelaatbaar moet worden geacht."

Bovenstaande fraseringen uit de drie uitspraken laten zien dat deze hoogste bestuursrechtelijke colleges verschillend denken over legitimiteit van de inzet van opsporingsmiddelen alsmede haar wettelijke basis. De Afdeling acht artikel 5.2. eerste lid onder a en b van de Wabo een voldoende grondslag.4 De Centrale Raad van Beroep acht artikel 53 a negende lid PW (destijds WWB) en titel 5.2 van hoofdstuk 5 van de Awb onvoldoende.5 Is een fotocamera als opsporingsmiddel nu toegestaan (gebruik op en vanaf de openbare weg) maar een ingrijpender middel als een filmcamera en een peilbaken niet? Het peilbaken functioneert toch ook in de openbare ruimte, althans voor zover aangebracht onder een vervoermiddel. Waarom vormt het in zijn algemeenheid geformuleerde artikel 5.2 eerste lid onder a en b van de Wabo wel een voldoende grondslag voor het gebruik van een (foto)camera, maar is het in zijn algemeenheid geformuleerde artikel 53 a PW niet? Als het EVRM voorschrijft, zoals zowel de RvS als de CRvB onderschrijven, dat voor de inzet van dergelijke opsporingsmiddelen een wettelijke basis vereist is, wat is dan voldoende? De Afdeling acht een algemene formulering in de wet een voldoende basis. De Centrale Raad daarentegen ziet dit fundamenteel anders. Ik citeer de Raad uit de uitspraak over de inzet van het peilbaken. "De toenemende technische verfijning en intensivering van opsporingsmethoden en -technieken verlangen een meer concreet omschreven legitimatie voor inbreuken op het fundamentele recht op bescherming van privéleven……voorts is niet geregeld in welke gevallen en gedurende welke periode een technisch hulpmiddel mag worden gebruikt……de mogelijke inzet van dit middel is hierdoor voor een belanghebbende niet voorzienbaar. Verder is van belang……dat niet is geregeld op welke wijze en door wie toestemming wordt verleend voor het inzetten van dit middel……dit klemt temeer nu het gebruik van een peilbaken een ingrijpend opsporingsmiddel is, daar dit middel, bij langdurig en intensief gebruik, in beginsel geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene." In andere woorden: voor de inzet van een dergelijk ingrijpend opsporingsmiddel, een peilbaken aangebracht aan en onder een auto die zich in de openbare ruimte begeeft, is toestemming van een autoriteit vereist. De Raad overweegt verder dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM in het kader van het heimelijk inzetten van opsporingsmethodes in de wettelijke regeling, dient te worden opgenomen onder welke omstandigheden de autoriteiten bevoegd zijn om een dergelijk middel in te zetten.6 Het risico op misbruik van bevoegdheden breng met zich mee dat de wettelijke regeling voldoende adequate en effectieve waarborgen dient te bevatten ter bescherming tegen willekeurige inmenging van het privéleven. Het EVRM stelt aldus kwaliteitseisen aan het juridisch kader waarbinnen een legitieme inbreuk kan worden gemaakt op het recht op privéleven van een burger.7 In de zaak van de recreatiewoning komt de Afdeling niet veel verder dan dat zij stelt dat de noodzaak voor de inzet van observaties en fotografie als controlemiddel proportioneel moet zijn en dat dit dient te worden getoetst. De vraag wie dat dan dient te doen wordt echter niet beantwoord. De jurisprudentie van de Centrale Raad op dit punt is dus strakker. Terecht of niet? Een heldere lijn over welk opsporingsmiddel meer dan wel minder ingrijpend is en daarmee proportioneel ontbreekt.

Wie eens met enige afstand naar deze uitspraken kijkt kan niet anders dan de nodige vragen formuleren. Vragen over het fundamentele recht op het privéleven van de burger en de inbreuk daarop die de overheid maakt in het concrete geval. Een privéleven dat door een toenemende automatisering en koppeling van allerlei bestanden en databanken (niet alleen maar bij de overheid) in een hoog tempo en in toenemende mate onder druk komt te staan. De hier boven behandelde uiteenlopende rechtspraak rechtvaardigen m.i. een verzoek om een dergelijke casus met een zekere spoed voor te leggen aan een Grote Kamer.8 Een voorafgaande conclusie9 van de staatsraad advocaat generaal kan dan richting geven aan het antwoord op vragen als: in welke gevallen mag de overheid welke opsporingsmiddelen inzetten? Wat is wanneer proportioneel en wat niet meer? Maar ook: dient de inzet en het gebruik van opsporingsmiddelen in het bestuursrecht in de desbetreffende materiewet uitputtend geregeld te worden of vraagt dit alles een aparte raam- of kaderwet voor ons gehele bestuursrecht? Verder: wat is nu precies de verhouding tussen de inzet van dergelijke middelen in het bestuursrecht ten opzichte van het strafrecht? Zoals de Centrale Raad van beroep in haar uitspraak over het peilbaken al schreef is de inzet van dergelijke middelen in het strafrecht beschreven in de artikelen 126g en 126o van het Wetboek van Strafvordering. De Raad stelt dat het gevolg van de inzet van een peilbaken overeenkomsten vertoont met de in het Wetboek van Strafvordering beschreven term 'stelselmatige observatie'. In het strafrecht mag een dergelijke stelselmatige observatie slechts worden ingezet met voorafgaande toestemming van de officier van justitie. Deze zou kunnen overzien of de inzet van het middel proportioneel is en de duur van de inzet ervan bepalen. Juist omdat in het huidige tijdsgewricht de persoonlijke levenssfeer door het gebruik van technische middelen steeds verder dreigt te worden aangetast, niet slechts alleen door de overheid, ligt er m.i. een zeker maatschappelijk belang dat erom vraagt dat de grens van de persoonlijke levenssfeer glashelder door de rechtspraak gedefinieerd wordt.

Gjalt Schippers,
Staffunctionaris/ADR register mediator,
Langhenkel Opleiding, Training & Advies.

  1. ECLI:NL:RVS:2018:2004
  2. ECLI:NL:CRVB:2016:3479
  3. ECLI:NL:CRVB:2016:947
  4. Artikel 5.2 eerste lid onder a en b Wabo zegt: het bevoegd gezag heeft tot taak: zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving, alsmede gegevens te verzamelen en te registeren die met het oog op de uitoefening van die taak van belang zijn.
  5. Artikel 53 a negende lid WWB (thans PW) zegt dat het college bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening van de bijstand.
  6. EHRM 2 september 2010, 35623/05, Uzun vs Germany en EHRM 2 oktober 2012, 22491/08, Selfiyan vs Armenia
  7. Onder 4.5.3. in ECLI:NL:CRVB:2016:947
  8. Als bedoeld in artikel 8:10a Awb
  9. Als bedoeld in artikel 8:12a Awb

Naar boven


Nieuwe regelgeving voor mediation bij en met de overheid?
Brief schetst toekomst voor buitengerechtelijke geschilbeslechting

In oktober vorig jaar verscheen het regeerakkoord van Rutte III onder het omvattende thema "Vertrouwen in de toekomst". In dat akkoord is de intentie vastgelegd van de regering om het gebruik en inzet van mediation te bevorderen. En dan met name in het civiele en bestuursrechtelijke domein omdat dit een goed alternatief vormt voor een gang naar de rechter. Nu zo'n klein jaar verder komen de eerste contouren naar buiten van een concretisering van dit kabinetsvoornemen. Minister Dekker van Rechtsbescherming legt in een brief aan de Tweede Kamer een fundament neer van zijn beleidsvoornemen.1 De brief vangt aan met het empirisch onderbouwde inzicht dat mensen die zelf tot overeenstemming komen in hun geschil gunstiger resultaten behalen dan mensen die hun geschil aan een rechter hebben voorgelegd. Maar ook: hun doelen zijn vaker bereikt, de problemen vaker opgelost en afspraken worden vaker nageleefd.2 Het oplossen van geschillen door het bereiken van onderlinge overeenstemming verdient dus de voorkeur, zo schrijft de minister. Een mooi voornemen maar hoe bereik je dat? Immers, geschilbeslechting en/of de vraag hoe om te gaan met vaak sterk tegengestelde belangen is vaak de hoe-vraag bij complexe maatschappelijke vraagstukken (windmolens, NIMBY-problematiek3 enz.), de aanpak van problematische schulden, problematische echtscheidingen, geïntegreerde aanpak in het sociaal domein (een gezin, een plan, een regisseur) etc.

De minister maakt onderscheid tussen drie vormen van buitengerechtelijke geschilbeslechting te weten arbitrage, bindend advies en mediation. Bij mediation is dan strikt genomen eerder sprake van geschiloplossing dan van geschilbeslechting. Dit omdat het woord beslechting de associatie oproept dat een derde 'een knoop doorhakt' over een geschil dat partijen verdeeld houdt. Dat is bij mediation niet het geval. De Minister onderschrijft dat bij mediation partijen zelf de regie houden over de inhoud van de oplossing. Maar daarnaast is verbetering van de verstandhouding tussen partijen ook een belangrijk element en argument. Immers, ieder conflict bestaat uit twee dimensies: een kwestie en een relatie. In een mediation is er niet alleen aandacht voor de juridische elementen, maar ook voor de achterliggende problemen. Daarmee is mediation, zo schrijft de minister, een van de vormen van buitengerechtelijke geschilbeslechting met een grotere kans op een duurzame oplossing waarmee mensen echt geholpen zijn. De minister zet dan ook in op uitbreiding van het gebruik van buitengerechtelijke geschilbeslechting, en meer in het bijzonder mediation. Maar hoe zit het dan met de andere vormen zoals arbitrage en bindend advies?

Recente ontwikkelingen als e-Court4 riepen de vraag op of regulering van buitengerechtelijke geschilbeslechting wenselijk of noodzakelijk is. De Minister heeft daar onderzoek naar laten doen.5 Dat onderzoek komt tot de conclusie dat het inbouwen van meer (wettelijke) waarborgen wel eens tot meer formalisering zou kunnen leiden, wat ten koste gaat van het informele karakter van een buitengerechtelijke geschiloplossing. De minister geeft aan dat voor iedere vorm van buitengerechtelijke geschiloplossing een eigenstandige afweging zal moeten worden gemaakt. Een algemene regel is er niet voor te geven. Toch zet de minister vol in op het bevorderen van mediation als middel tot buitengerechtelijke geschilbeslechting. Ondanks een verregaande professionalisering van het beroep van mediator (eigen opleidingen, kwaliteitseisen, beroepsnormen etc.) blijft het aantal zaken dat landelijk gezien door middel van mediation wordt opgelost stabiel (in 2003 5%, in 2014 nog steeds 5%). Voor de minister onderschrijft dit het belang van het onderzoeken van mogelijkheden tot uitbreiding van de toepassing van mediation. Hij formuleert daartoe vier zogenaamde actielijnen:

  1. Meer en beter toegankelijke informatie over de voor- en nadelen van buitengerechtelijke geschilbeslechting, in het bijzonder mediation;
  2. Mensen moeten zich (online of offline) kunnen wenden tot een neutrale instantie die buitengerechtelijke geschiloplossing adviseert als dit de meest passende oplossing is;
  3. Stimulans om te kiezen voor de snelle, vroegtijdige en eenvoudige route van geschilbeslechting;
  4. Rechtstatelijke waarborgen, waaronder kwaliteitsborging.

Voor zowel arbitrage als bindend advies geldt dat deze vormen van geschilbeslechting al voor een deel in de wet zijn geregeld. Voor zowel bindend advies als mediation geldt dat indien zij leiden tot afspraken deze worden vastgelegd in een zogenaamde vaststellingsovereenkomst (7:900 BW). Ook voor grensoverschrijdende mediations gelden er wettelijke waarborgen.6 De door de minister geformuleerde actielijnen leveren voor het instrument mediation geen eenduidig antwoord op of er nu juist wel of nu juist geen regelgeving voor mediation moet komen. Er zijn evenveel argumenten voor als tegen. Ambtsvoorganger van der Steur heeft vanuit de visie dat er regelgeving nodig was om te komen tot stimulering van de toepassing van mediation en het bevorderen van de kwaliteit van het beroep van mediator, een conceptwetsvoorstel het licht doen zien.7 8 Daar zijn dusdanig verschillende reacties op ontvangen dat de huidige minister er voor kiest om alleen maatregelen te treffen (lees over te gaan tot regelgeving) als dit ook kan rekenen op een breed draagvlak in het mediation werkveld. Er zal dan ook voortgezet overleg plaats vinden met de meest relevante actoren (ADR, VMO, MfN e.t.q.). Dit overleg, zo schrijft de minister, wordt mede gevoerd vanuit de wens om zoveel mogelijk te komen tot maatregelen die aansluiten bij de bestaande praktijk van mediation en bij de behoeften en wensen van burgers en bedrijven. Hoe ziet de bestaande (bestuursrechtelijke) praktijk er eigenlijk uit? Om een realistisch beeld hiervan te krijgen kunnen we te rade gaan bij een recent onderzoek (mede) verricht in opdracht van de Vereniging Mediators Overheid (VMO).9 Het onderzoek vond plaats onder 388 gemeenten waarvan er 161 ook daadwerkelijk gereageerd hebben. Dat is een (ongekend hoge) respons rate van 41%. Welk beeld komt daaruit naar voren? Voor de duidelijkheid neem ik de bevindingen, en conclusies, van het onderzoek zoveel mogelijk letterlijk over. De informatievoorziening over mediation bij gemeenten blijkt inadequaat. Er zijn geen protocollen voor potentiele conflictsituaties. Slechts in 13% van de gemeenten blijkt een dergelijk protocol voor handen te zijn. (Publieke) Beleids-mediation of -bemiddeling wordt - hoewel 12% van de respondenten er mee bekend is - slechts bij 2% van de gemeenten toegepast. Als we kijken naar de organisatorische ontwikkelingsfase van mediation in de gemeente, dan bevindt mediation zich nog in een pioniersfase. Er is vrijwel nergens een institutioneel contactsysteem, casemanagement, protocollen of kwaliteitssystemen. Uiteraard wel voor klacht en bezwaar, maar daar ging het onderzoek niet over. In het geval van informele mediations is er zelden verslaggeving/rapportage. De gemeente bepaalt of mediation ingezet wordt (!). In de helft van de gevallen bepaalt de behandelend ambtenaar dat zelf, zonder dat daar een protocol voor is. De ambtenaar bemiddelt primair zelf, zowel met als zonder overeenkomst. Formele mediation komt nauwelijks voor. Bij de beslissing om een mediation aan te gaan is het afdelingshoofd van het desbetreffende domein dominant. De trigger tot mediation lijkt een bezwaarschrift of klacht te zijn (samen 49%), er zijn ook preventieve activiteiten als er een conflict voorzien wordt (17%), voordat (12%) of nadat (13%) de gemeente een besluit neemt/heeft genomen. Men werkt veelal met zogenaamde interne mediators waaronder ook wordt verstaan deelnemers aan een regionale pool van mediators. De gemiddelde capaciteit daarvoor wordt geschat tussen de 0,2 en 0,5 fte tijd op jaarbasis. Externe communicatie over mediation gaat via de gebruikelijke communicatiekanalen (plaatselijke krantje, website, folder). 30% van de gemeenten geeft géén informatie over de mogelijkheid van geschillenbeslechting of conflictbeheersing door mediation. De bevindingen leiden tot stevige en sombere conclusies bij de onderzoekers. Gemeenten zitten in de pioniersfase. Pioniersfase van wat eigenlijk? Niet van mediation. Het is moeilijk vol te houden dat de afgelopen jaren serieuze pogingen gedaan zijn mediation te introduceren en daarmee te pionieren bij gemeenten. Is het dan alleen maar kommer en kwel? Nee natuurlijk niet. De onderzoekers constateren dat individuele ambtenaren zich naar eer, geweten en beste kunnen, steeds meer inzetten om conflicten met de omgeving te beheersen. Dat gebeurt met van alles, als het maar geen mediation is ……(!) De voorzitter van de VMO hanteert over dit alles als verzuchting: 'er zijn geen pioniersgemeenten maar pioniers bij gemeenten!'

In diezelfde periode is mediation in Nederland helemaal op de kaart gezet zo schrijven de onderzoekers. De professie heeft zich bijna volledig ontwikkeld. Het kennisdomein ontwikkelt zich steeds verder, er zijn voldoende publicaties van goed niveau, er zijn handboeken, er is een leerstoel. Mediation heeft zijn entree gedaan op universiteiten, faculteiten en (juridische) beroepen en beroepsgroepen. Er zijn opleidingssystemen, klacht en tuchtrecht, CPD/PE systemen, audits. Hoe zit dat bij de overheid? De diagnose of een conflict zich leent voor mediation gebeurt in zeker de helft van de gevallen door de behandelend ambtenaar zelf met soms (13%) een protocol. Die ambtenaar wordt verder ook in staat geacht het probleem zelf met mediation vaardigheden af te handelen. Is dat de slager die zijn eigen vlees keurt? De 'mediation' uitkomst lijkt door de meeste gemeenten niet als bindend te worden gezien (!). Ondertussen gonst het overal van de 'braaftaal' over conflictbeheersing. De informele aanpak (om maar een van de titels te gebruiken) is populair maar zal op den duur tot grote transparantieproblemen leiden als daar niet zwaar op ontwikkeld wordt. De risico's van willekeur, en het onthouden van rechten liggen op de loer. De rechtsbescherming van burgers/bedrijven is op die manier thans niet (voldoende) gewaarborgd.10
Andere vormen van conflictbeslechting en pogingen klachten en bezwaren te voorkomen - hoe goed ook bedoeld en uitgevoerd door de individuele ambtenaar - zullen snel uit de informele sfeer gehaald dienen te worden om ernstige risico's te vermijden.

Tot zover de (droeve) bevindingen en conclusies. Waar zou nader overleg met het mediation werkveld voor wat betreft het bestuursrecht nu toe moeten leiden? Wil mediation een plaats krijgen in het bestuursrecht als volwaardig alternatief middel tot geschiloplossing dan zal een rechtstatelijke waarborging daarvan onvermijdelijk zijn. Het lijkt het enige middel om willekeur voor de burger te voorkomen en om de overheid uit de bestaande 'procedurekramp' te krijgen. Deze nieuwe tijd met een meer horizontale verhouding tussen burger en overheid laat zien dat oude en bestaande mechanismen en procedures aanvulling behoeven. 'Nieuwe wegen' als mediation blijken inmiddels bewezen effectief. Nu de overheid nog.

Gjalt Schippers,
Staffunctionaris/ADR register mediator,
Langhenkel Opleiding, Training & Advies.

  1. Brief 11 juli 2018 aan de Tweede Kamer inzake Buitengerechtelijke geschilbeslechting en herstelrecht
  2. M.J. ter Voert & C.M. Klein Haarhuis, Geschilbeslechtingsdelta; Over verloop en afloop van (potentieel) juridische problemen van burgers, 2014, pag. 15.
  3. NIMBY = Not In My Back Yard, term vanuit het Milieurecht die wordt gebruikt bij zgn whicked problems, iedereen is overtuigd van het gebruik van meer schone energie maar niemand wil een windmolen in zijn achtertuin.
  4. Het gaat om private rechtspraak op grond van artikel 1020 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (arbitrage) of artikel 7:900 e.v. Burgerlijk Wetboek (bindend advies).
  5. E. Bauw e.a., Rechtstatelijke waarborging van buitengerechtelijke geschiloplossing. BJu. 2018, pag. 132.
  6. Wet implementatie richtlijn 2008/52/EG betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken.
  7. www.internetconsultatie.nl/wetmediation
  8. Zie van dezelfde auteur het eerder gepubliceerde artikel Mediation structureel verankerd bij de overheid, Nieuwe mediationwet samengevat, kansen voor (verdere) effectievere geschilbeslechting in het bestuursrecht.
  9. Onderzoek november 2017 o.l.v prof dr. Ad Kil (Nyenrode/HAN). Stand van zaken van mediation bij gemeenten. Alles mogelijk zolang het maar geen mediation is. Te downloaden via www.vmo.nl.
  10. Zie het advies 30 mei 2017 Integrale geschilbeslechting in het sociaal domein van de Staatscie. Scheltema.

Naar boven


Aan de totstandkoming van deze nieuwsbrief is de uiterste zorg besteed. Voor informatie die nochtans onvolledig of onjuist is opgenomen, aanvaarden de auteur(s), redactie en uitgever geen aansprakelijkheid. Voor eventuele verbeteringen van de opgenomen gegevens houden zij zich aanbevolen. Aan de inhoud van deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend. Indien u geen prijs stelt op toezending van deze nieuwsbrief, dan kunt u zich hier afmelden.