Kop
         
 

Editie 4-2018


De Langhenkel Groep
Postbus 40127
8004 DC Zwolle
Noordzeelaan 62
8017 JW Zwolle
Tel.: (038) 467 72 00
Fax: (038) 467 72 22
info@langhenkel.nl
www.langhenkel.nl


Afbeelding

Volg De Langhenkel
Groep op


Afbeelding

@langhenkel,
Het laatste nieuws
over ontwikkelingen
binnen het sociaal
domein

Of connect met
ons op

Afbeelding


Nieuw: de Privacywijzer

Klik hier om deze gratis praktijktool te bestellen.


Beroepsopleidingen
die binnenkort van
start gaan:


Opleiding tot consulent
werk & inkomen
, start
6 augustus in Rosmalen

Opleiding tot consulent
Wmo 2015 / Jeugd
,
start 17 september

Opleiding tot financieel
medewerker uitkerings-
administratie
, start
23 oktober

Basisopleiding tot
overheidsmediator
,
start 30 oktober


Nieuw in ons opleidingsaanbod

Cursus de gezamenlijke
huishouding in de
Participatiewet


Cursus afwijzen
of intrekken
persoonsgebonden
budget (PGB) Wlz


Cursus beschut werk
in het kader van de
Participatiewet


Klik hier voor een
overzicht van alle
nieuwsbrieven
van Langhenkel


Klik hier voor een
overzicht van ons
aanbod voor wijkteams


Doe mee met de gratis
KennisQuizzen van
Langhenkel


We hebben nog
enkele plaatsen
beschikbaar bij
onder andere de
volgende cursussen
en trainingen:

Opleiding tot
consulent werk
en inkomen
,
start 6 augustus in Rosmalen

Basisopleiding tot
bewindvoerder
,
start 30 augustus in Rosmalen

Starterscursus
bewindvoering
in de praktijk
,
start 30 augustus
in Breukelen

Basiscursus
integrale benadering
sociaal domein
,
start 3 september
in Zwolle

Cursus beslagrecht,
4 september
in Zwolle

Cursus arbeids-
re-integratie en
statushouders
,
start 5 september in
Breukelen

Verdiepingscursus
bijstand en
belastingen
,
5 september in
Breukelen

Actualiteitencursus
voor bewindvoerders
,
6 september in
Zwolle

Cursus beleid maken,
beleid schrijven
,
start 10 september in
Zwolle

Cursus privacy in
het sociaal domein
,
12 september in
Rosmalen

Cursus de Wet
langdurige zorg -
opfrissing en
verdieping
,
start 17 september in
Zwolle

Opleiding tot
consulent Wmo
2015 / Jeugd
,
start 17 september in
Rosmalen of Zwolle

Starterscursus
Participatiewet
,
start 18 september in
Zwolle

Cursus mentorschap
en curatele voor
bewindvoerders
,
25 september in
Rosmalen

Cursus gegevens-
verwerking Wmo
2015 en Jeugdwet
voor financieel-
administratieve
medewerkers
,
26 september in
Breukelen

Actualiteitencursus
privacywetgeving:
de Algemene verordening
gegevensbescherming
,
27 september in
Rosmalen

Actualiteitencursus
Wmo 2015
,
27 september in
Zwolle

Cursus indicatie-
stelling Wlz door
het CIZ voor het
sociaal (wijk)team -
de juiste verwijzing
,
23 oktober in
Rosmalen

Opleiding tot
financieel medewerker
uitkerings-
administratie
,
start 23 oktober in
Rosmalen of Zwolle

Basisopleiding tot
overheidsmediator
,
start 30 oktober in
Rosmalen of Zwolle

Cursus bijzondere
bijstand en
inkomenstoeslag
,
30 oktober in
Zwolle

Workshop bijstand
en belastingen
,
6 november in
Rosmalen

Cursus Participatiewet,
Wet maatschappelijke
ondersteuning,
Jeugdwet en
schuldhulpverlening
in vogelvlucht
,
13 november in
Rosmalen

Cursus arbeids-
re-integratie en
statushouders
,
start 22 november in
Rosmalen

Cursus mentorschap
en curatele voor
bewindvoerders
,
11 december
in Zwolle

In company maatwerk
Ons gehele opleidings-
aanbod kan ook in
company en op maat
worden verzorgd. Voor
meer informatie of een
vrijblijvende offerte
mailt u naar opleidingen@langhenkel.nl
Personele
ondersteuning
nodig?
Mail naar detachering@langhenkel.nl


 

Dit is de vierde uitgave van De Langhenkel Nieuwsbrief werk & inkomen in het jaar 2018.

Deze nieuwsbrief wordt samengesteld door Robin Hutten, staffunctionaris en docent bij Langhenkel Opleiding, & Training & Advies. Voor opmerkingen of suggesties over de Langhenkel Nieuwsbrief kunt u Robin bereiken via telefoonnummer 06 - 5575 14 98 en 038 - 467 72 00 of per e-mail: rhutten@langhenkel.nl. Ook als u beschikt over interessante uitspraken die naar uw oordeel dienen te worden opgenomen in de nieuwsbrief, dan vernemen wij graag van u.

Nieuwsbrief ook ontvangen?
De nieuwsbrief wordt verstuurd aan onze medewerkers, klanten en overige belangstellenden. Wilt u daar bij horen? Klik hier.


INHOUDSOPGAVE

NIEUWSBERICHTEN

Herinrichting inburgering

Controle op bijstandsfraude de grenzen te buiten

Wet herziening partneralimentatie

Risicoprofielen gemeente Utrecht toegelaten door Centrale Raad van Beroep

Loonkostensubsidie steeds vaker ingezet

Resultaten banenafspraak 2017: de drie-meting

Verzamelwet SZW 2019 ingediend

Toeslagpartner en alleenstaande ouderkop problematiek

En verder ...

JURISPRUDENTIE, lees verder

ARTIKEL

Meer mensen aan de slag met loonkostensubsidie?
Gemeentelijke beperking doelgroep loonkostensubsidie vergroot kloof vertrouwen in de overheid


NIEUWSBERICHTEN

Herinrichting inburgering

In het Regeerakkoord van het kabinet is opgenomen dat het huidige regime van inburgeren op de schop moet. Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaf eerder aan om voor het zomerreces met meer informatie te komen over de herinrichting van het inburgeringsproces. Op 2 juli heeft het Ministerie een persbericht uitgegeven en een brief met hoofdlijnen aan de Tweede Kamer verzonden. De plannen worden vanaf dit punt verder voorbereid en de gewenste invoer is voor 2020 gepland.

Het voornemen bestaat om de bestaande inburgeringsmarkt te hervormen. Op dit moment sluit een inburgeraar bij DUO een lening af en met dit geld moet de inburgering bekostigd worden, als het inburgeringsexamen op tijd is gehaald wordt de lening een gift. Er is sprake van een vrije markt en uit evaluaties blijkt dat niet elke opleider voldoende kwaliteit biedt en in enkele gevallen zelfs sprake is van fraude. Het kabinet gaat gemeenten een nadrukkelijker rol geven bij het aanbieden van inburgeringstrajecten. Zij zullen moeten gaan zorgen voor een aanbod en de inburgeraar een passend aanbod doen. De gemeente zal dit traject vervolgens ook moeten monitoren, zij krijgen hiervoor het budget vanuit DUO overgeheveld.

De onderliggende gedachte bij de hervorming is: Iedereen doet mee. Dit houdt onder meer in dat de gemeente met iedereen een brede intake zal doen en voor iedereen een persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) zal moeten opstellen. Het is de rol van gemeenten om dit plan nauwgezet te volgen. Hierdoor moet het mogelijk zijn om de taaleis in de inburgering te verhogen van het huidige A2 niveau naar niveau B1. Laatstgenoemde niveau wordt de norm. Alleen wanneer uit een toets blijkt dat een inburgeraar niveau B1 niet kan halen, wordt de gelegenheid geboden om op het originele A2 niveau examen te doen.

Een andere gedachte die hoort bij het verhogen van de taaleis binnen de inburgering is dat de taallessen beter gecombineerd moeten kunnen worden met werk. Het liefst is dit zo snel mogelijk betaald werk. Voor het geval dit nog niet mogelijk is, zal dit moeten gebeuren met een vrijwilligersplek. Het ministerie haakt dan ook in op een andere passage uit het Regeerakkoord waarin is opgenomen dat er meer nadruk moet liggen op de uitvoering van de tegenprestatie door gemeenten. Ook wordt hier de Wet Taaleis in de Participatiewet aangehaald. Het handhaven op deze verplichtingen binnen bijstand zou de inburgering ook ten goede komen.

Verder wordt in de plannen verwerkt dat jongeren zo veel als mogelijk worden gestimuleerd om in te burgeren via een reguliere opleiding, bijvoorbeeld via het MBO.

Het credo 'Iedereen doet mee' wordt onderstreept door het gegeven dat er in het nieuwe systeem geen ontheffing meer verleend kan worden op basis van geleverde inspanning. Nu kan een inburgeraar na 600 lesuren om een ontheffing verzoeken. In het nieuwe systeem zou er een aparte leerstroom moeten komen voor de groep die minder snel dan gewoonlijk de taal leert. Deze zogenaamde 'z-route' moet gericht zijn op zelfredzaamheid in onze samenleving en het, zoveel als mogelijk, beheersen van de taal en minder op werk.

Gemeenten krijgen de opdracht om standaard alle statushouders de eerste periode een ontzorgend stelsel te bieden. De gemeente betaalt dan in de periode van ontzorging uit de bijstand de vaste lasten, zoals huur en energiekosten en de verplichte verzekeringen. De statushouder ontvangt wat resteert en de toeslagen. Gemeenten hebben hiervoor nu al de nodige instrumenten. De minister laat nog onderzoeken in welke mate dit verplichtend kan worden opgelegd.

Naar boven

Controle op bijstandsfraude de grenzen te buiten

De Volkskrant publiceerde op 16 juni uitgebreid over misstanden bij de bestrijding van bijstandsfraude. Deze publicaties zijn gebaseerd op gesprekken met personen die te maken hebben gehad met de opsporing van bijstandsfraude en op verschillende uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Daarnaast worden enkele rechtswetenschappers aan het woord gelaten.

Het beeld wordt geschetst dat personen stelselmatig worden gevolgd, onheus worden bejegend tijdens verhoren over bijstandsfraude en dat ook minderjarige kinderen in de speeltuin worden ondervraagd over vermeende bijstandsfraude van hun ouders. Het verdraaien van bewijs, het volgen met een camera en het gebruik van peilbakens wordt aan de kaak gesteld. Een onderliggend thema is de onduidelijkheid van de regelgeving, bijvoorbeeld inzake de vraag wanneer er sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Deze publicaties zijn aanleiding geweest om de staatssecretaris Van Ark te bevragen bij het vragenuur in de Tweede Kamer. Op basis van deze berichten van de Volkskrant wilde de staatssecretaris niet aangeven dat bepaalde zaken disproportioneel zijn. Wel gaf zij aan dat zij staat voor een proportionele manier van fraudebestrijding en ook dat fraudebestrijding hard nodig is.

Afgelopen week is in de Tweede Kamer de Handhavingskoers 2018-2021 van het ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid besproken. Hierin is onder meer aandacht voor het meer data-gestuurd handhaven en ook om technische hulpmiddelen bij fraudebestrijding beter te borgen.

Op 28 juni 2018 heeft een boekpresentatie plaatsgevonden van de resultaten van een wetenschappelijk onderzoek naar de opsporing en handhaving bij bijstandsfraude. Dit boek geeft de resultaten weer van onderzoek naar handhaving in de sociale zekerheid dat in de periode 2014-2018 is uitgevoerd aan de Rijksuniversiteit Groningen i.s.m. Instituut Gak. Op basis van uitgebreide studies bij UWV en sociale dienst en een landelijke enquête onder meer dan duizend uitkeringsgerechtigden, blijkt dat de harde aanpak van uitkeringsfraude, waarbij de nadruk ligt op boetes en straffen, in de praktijk averechts werkt. Deze aanpak is volgens het onderzoek veel minder effectief dan vaak wordt gedacht en leidt tot een verslechtering van het contact tussen uitkeringsgerechtigden en uitvoeringsinstanties.

Medewerkers in de sociale zekerheid wijken in hun dagelijks werk bovendien regelmatig af van de strenge regels. De onderzoekers concluderen dat het nalevingsniveau in de sociale zekerheid niet zozeer is gebaat bij méér handhaving, maar bij slimmere handhaving. De effectiviteit van de handhaving in de sociale zekerheid wordt niet alleen bepaald door hardere of softere maatregelen, maar ook door de mate waarin de handhavingsstijl is afgestemd op de specifieke achtergronden en verwachtingen van de uitkeringsgerechtigde, zo stellen zij. Zie hiervoor ook het bijbehorende persbericht.

Naar boven

Wet herziening partneralimentatie

Op woensdag 27 juni 2018 is in de Tweede Kamer het wetsvoorstel behandeld wat het recht op partneralimentatie flink zal wijzigen. Het betreft een initiatiefvoorstel van een aantal kamerleden.

Met dit voorstel wordt de duur van de partneralimentatie de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van 5 jaar. Daarop zijn twee wettelijke uitzonderingen: langdurige huwelijken en huwelijken met jonge kinderen. Als een huwelijk langer dan 15 jaar heeft geduurd, is een alimentatie van maximaal 10 jaar mogelijk, voorwaarde is dan wel dat de alimentatiegerechtigde minimaal 10 jaar jonger is dan de pensioenleeftijd. Wanneer er sprake is van een huwelijk met kinderen die jonger zijn dan 12 jaar, dan is de duur van de alimentatie maximaal 12 jaar.

De alimentatieplicht eindigt als de onderhoudsplichtige de pensioenleeftijd bereikt. In het voorstel is een hardheidsclausule voor schrijnende gevallen opgenomen en is voorzien in overgangsrecht. Ook worden de berekeningen van de behoefte en draagkracht, die gebruikt worden bij het vaststellen van de alimentatie, verstrekt aan de verzoeker en de overige belanghebbenden.

Naar boven

Risicoprofielen gemeente Utrecht toegelaten door Centrale Raad van Beroep

Het vermogensonderzoek dat de gemeente Utrecht in Turkije heeft laten uitvoeren om bijstandsfraude op te sporen, is niet in strijd met het discriminatieverbod. Dit heeft de Centrale Raad van Beroep op 5 juni 2018 geoordeeld in 5 uitspraken.

De gemeente Utrecht heeft een risicoprofiel opgesteld voor vermogensonderzoek in het buitenland. Hierbij zijn personen geselecteerd die een geboorteplaats buiten Nederland hebben én die sinds 2010 één of meerdere keren langer dan de toegestane periode (zie artikel 13 lid 1 PW) in het buitenland zijn geweest én die een lopende uitkering ontvangen. Uit de geselecteerde bijstandsgerechtigden is een steekproef getrokken. Via deze steekproef zijn betrokkenen geselecteerd voor onderzoek in het buitenland. Dat onderzoek, uitgevoerd door het Internationaal Bureau Fraude van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF), heeft in de vijf zaken waarin uitspraak wordt gedaan, uitgewezen dat in Turkije op naam van de betrokkenen onroerende zaken stonden geregistreerd. De gemeente heeft vervolgens de bijstand ingetrokken en/of teruggevorderd. Daarnaast heeft de gemeente in twee van de gevallen een nieuwe bijstandsaanvraag afgewezen en in één geval een boete opgelegd.

De Centrale Raad van Beroep heeft in eerdere uitspraken bepaald dat bijstandsverlenende instanties selecties van bijstandsgerechtigden mogen maken waarbij onderzoek in het buitenland wordt ingesteld. Onderzoek doen kost veel tijd en geld en het is ondoenlijk om het inkomen en vermogen van alle bijstandsgerechtigden in alle landen van de hele wereld te onderzoeken. Daarom mogen bepaalde groepen bijstandsgerechtigden worden uitgekozen voor onderzoek, maar daarbij mag niet worden gediscrimineerd.

Door het hanteren van het selectiecriterium geboorteplaats buiten Nederland maakt de gemeente Utrecht een onderscheid naar nationale of maatschappelijke afkomst. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat geen sprake is van verboden discriminatie. De criteria die de gemeente Utrecht hanteert in het risicoprofiel zijn samen namelijk voldoende relevant en objectief om het onderscheid te rechtvaardigen. Daarnaast vormt de rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving een zeer zwaarwegende reden voor het gemaakte onderscheid en staat het toegepaste middel in een redelijke verhouding tot dat doel.

De volledige uitspraken vindt u in de volgende nummers: ECLI:NL:CRvB:2018:1541, ECLI:NL:CRvB:2018:1542, ECLI:NL:CRvB:2018:1543, ECLI:NL:CRvB:2018:1544 en ECLI:NL:CRvB:2018:1545

Bron: Rechtspraak.nl

Naar boven

Loonkostensubsidie steeds vaker ingezet

In 2017 is het aantal personen dat is gaan werken met loonkostensubsidie voor het eerst hoger dan het aantal werknemers dat uitstroomde uit de wet sociale werkvoorziening (Wsw).

Dit blijkt uit de sectorinformatie van de sociale werkgelegenheid over 2017 die recent door Cedris is uitgebracht. Vorig jaar zijn 6.200 personen uit de Participatiewet met loonkostensubsidie gaan werken. Sinds de invoering van deze wet is de teller inmiddels opgelopen tot 11.200 verstrekte loonkostensubsidies. Het aandeel sociale werkbedrijven dat hierbij een belangrijke rol vervult is sterk gegroeid.

Uit de cijfers blijkt verder dat de meeste sociale werkbedrijven een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van de Participatiewet. Van deze bedrijven wordt 84% als werkgever of bemiddelaar voor de nieuwe doelgroepen ingezet. Maar nog altijd 16% van de bedrijven vervult geen of slechts een beperkte rol voor nieuwe doelgroepen. Sommige sociaal werkbedrijven zijn afgestoten door de gemeenten en bieden alleen nog maar werkplekken voor personen met een sw-indicatie.

Tussen gemeenten onderling bestaan grote verschillen in de mate waarin loonkostensubsidie wordt ingezet. Opvallend is dat er een positief verband lijkt te bestaan tussen de inzet van loonkostensubsidie en het behaalde financieel resultaat op het zogenaamde Inkomensdeel uit het BUIG-budget. Dit zijn de financiën die gemeenten van het rijk ontvangen om bijstandsuitkeringen te betalen en waaruit ook de loonkostensubsidie wordt betaald. Of er sprake is van een causaal verband en wat de achterliggende verklaringen zijn, wordt nader onderzocht.

In nieuwsbrief 03-2018 hebben we al aandacht besteed aan de ISD Bollenstreek. Zij zijn door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangesproken op het feit dat zij de wettelijke loonkostensubsidie niet goed uitvoeren. Aan werkgevers werd tot een arbeidsomvang van 25,5 uur per week een loonkostensubsidie geboden. Dit is de gemiddelde omvang in arbeidsuren van een persoon met een arbeidsbeperking. Werkgevers die meer dan dit aantal uren boden aan personen met een arbeidsbeperking, konden niet voor meer subsidie in aanmerking komen.

Nu er een gesprek met het ministerie heeft plaatsgevonden en hierna binnen de ISD Bollenstreek naar verschillende scenario's is gekeken, is besloten om weer terug te gaan naar de situatie zoals deze voor 1 januari 2018 gold.

Dit betekent dat werkgevers weer aanspraak kunnen maken op een volledige loonkostensubsidie.

Tegelijkertijd heeft de Rechtbank Midden-Nederland een uitspraak gedaan over de toepassing van de loonkostensubsidie door de gemeente Utrecht. Ook deze zou niet rechtmatig zijn. Deze gemeente zou alleen subsidie geven tot een loonwaarde van 50%, bij een lager loonwaarde werd niet de volledige subsidie gegeven. Lees deze uitspraak in de rubriek Jurisprudentie in deze nieuwsbrief.

Naar boven

Resultaten banenafspraak 2017: de drie-meting

Het ministerie publiceerde begin juli 2018 de laatste metingen ten aanzien van de banenafspraak in 2017. Het blijkt dat de banenafspraak door marktwerkgevers wederom gehaald is en dat het de overheid nog niet is gelukt om de geplande aantallen te halen. De overheid had in 2017 het aantal van 10.000 banen moeten realiseren, maar kwam niet verder dan 6.417. Werkgevers buiten de overheid hadden in 2017 te maken met een doelstelling van 23.000 banen en zij hebben inmiddels 30.432 banen gerealiseerd. In totaal gaat het in beide banenafspraken om 36.903 banen, meer dan de verwachte 33.000. Eerder is bepaald dat, wanneer de overheid weer op schema zou liggen, het opgelegde quotum gedeactiveerd wordt. Hier bestaat wat het ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid nu geen aanleiding voor, het feit dat de totale aantallen van de banenafspraak wel gehaald zijn doet hier niet aan af.

Tegelijkertijd stuurt staatssecretaris Van Ark ook een brief aan de Tweede Kamer waar zij in gaat op een aantal specifieke knelpunten die door overheidswerkgevers zijn aangedragen. Hieruit blijkt dat er bij de overheid wel een wil is om aan de banenafspraak te voldoen, maar volgens de staatssecretaris is 'wil alleen niet voldoende'.

Naar boven

Verzamelwet SZW 2019 ingediend

Recent is door minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Verzamelwet 2019 aan de Tweede Kamer verzonden. Voor wat betreft de Participatiewet zijn er niet veel wijzigingen opgenomen. Wel zal de zogenaamde afbouw van de dubbele heffingskorting voor meerdere wetten in de sociale zekerheid vertraagd worden.

Deze dubbele heffingskorting wordt gebruikt bij het berekenen van de netto bijstandsnorm voor gehuwden. Des te meer recht er op dubbele heffingskortingbestaat, des te hoger valt de netto bijstandsnorm uit. In 2009 is men begonnen om in de belastingsystematiek deze dubbele heffingskorting, in de vorm van de algemene heffingskorting minsverdienende partner, stapsgewijs terug te brengen. In 2012 is men ook begonnen om binnen de bijstandssystematiek deze zogenaamde partnerkorting af te bouwen. Zij het trager dan bij de fiscale wetgeving. Kabinet Rutte III wenst nu een nog verdere vertraging. Dit gaat inhouden dat er bij echtparen verschillen kunnen ontstaan en zij, vaker dan nu het geval is, met hun inkomen onder de bijstandsnorm kunnen vallen. De daarmee verwachte hogere kosten van bijstand zijn bij het indienen van het wetsvoorstel ook in een doorrekening aan de Tweede Kamer gepresenteerd.

Het gehele wetsvoorstel vindt u hier.

Naar boven

Toeslagpartner en alleenstaande ouderkop problematiek

Al sinds de invoering van de verhoging van het kindgebonden budget met de alleenstaande ouderkop en het afschaffen van de aparte norm voor alleenstaande ouders in de bijstand, bestaan er vragen en problemen op dit gebied. Er zijn verschillende situaties te bedenken waarin iemand geen verhoging van het kindgebonden budget ontvangt, maar wel te maken krijgt met een lagere bijstandsnorm. Dit omdat er een verschil zit in het partnerbegrip dat de gemeente hanteert en het partnerbegrip dat de belastingdienst hanteert. Dit speelt onder meer wanneer een alleenstaande ouder met kinderen inwoont bij één van zijn of haar eigen ouders. De bijstandsnorm is dan 70% van het minimumloon. Of wanneer er sprake is van een zogenaamde niet-rechthebbende partner, bijvoorbeeld als de partner gedetineerd is of voor langere tijd in het buitenland verblijft. In dit geval zal er een norm van 50% van het minimumloon verstrekt worden. Wanneer er vanuit de belastingdienst geen verhoging plaatsvindt van het kindgebondenbudget, mist deze persoon, naar de huidige maatstaf, een bedrag van € 258 per maand aan besteedbaar inkomen.

Gemeenten hebben op het eerste gezicht twee mogelijkheden om dit gemis te ondervangen, elk met zijn eigen voor- en nadelen. Niet dat elk gemis aan deze regeling direct opgevangen dient te worden, maar er zijn wel situaties denkbaar waarin de gemeente niet anders zal kunnen dan een compensatie bieden. Het zou via de route van artikel 18 lid 1 PW in de vorm van algemene bijstand kunnen, maar ook in de vorm van bijzondere bijstand op basis van artikel 35 lid 1 PW.

Vanuit de Landelijke Cliëntenraad (LCR) wordt er, middels een brief uit oktober 2017, aangestuurd op een standaardoplossing. Zij sturen namelijk aan op het gelijk trekken van de definities in beide rechtsgebieden en zien dit als de beste oplossing. En geven zij aan dat, als eerdergenoemde oplossing niet wordt gekozen en de oplossing binnen de bijzondere bijstand door middel van een toeslag wordt geboden, dit aan de hand van een verordeningsplicht geregeld dient te worden. Met name zijn er bij de LCR zorgen over het niet-gebruik van de compensatieregeling. Een formele verordening zou dit terug moeten dringen.

In februari 2018 heeft de staatssecretaris middels een brief aan de kamer, gereageerd en aangegeven dat de oplossing wat haar betreft binnen de bijzondere bijstand gevonden moet worden. Hierbij gaat ze niet in op twee andere punten die de LCR aanzwengelt, namelijk het gelijktrekken van de partnerbegrippen of het ontwerpen van een formele toeslag binnen de bijzondere bijstand middels een verordening. Hier is zij op gewezen door leden van de Eerste Kamer. Dus komt de staatsecretaris met een aanvullende reactie.

In haar aanvullende reactie geeft zij aan dat aanpassing van het partnerbegrip voor de toeslagen het uitvoeringsproces van Belastingdienst/Toeslagen aanzienlijk zou belasten en verzwaren, terwijl voor de fiscaliteit en toeslagen het uitgangspunt is dat het partnerschap aan de hand van objectieve criteria kan worden bepaald. Dit antwoord is door de minister van Sociale Zaken al eens gegeven en is wat de staatssecretaris betreft nog steeds relevant. Daarnaast gaat het volgens haar vaak om zeer uiteenlopende situaties die vragen om een maatwerkbeoordeling. Hiervoor is niet de toeslagwetgeving het geschikte instrument, maar de bijzondere bijstand.

De staatssecretaris is er eveneens niet happig op om de gemeente een nieuwe verordeningsplicht op te leggen. Wat haar betreft zou het dan al snel gaan over een categoriale regeling en die zou niet passen bij de wijzigingen die in 2015 zijn doorgevoerd, namelijk de bijzondere bijstand een sterker individueel karakter te geven en het categoriale karakter terug te dringen.

Inmiddels zijn er ook zaken over dit punt bij de Centrale Raad van Beroep behandeld, in een tweetal uitspraken neemt de Raad een standpunt in (zie ECLI:NL:CRVB:2018:1600 en ECLI:NL:CRVB:2018:1618).

Bij deze uitspraken oordeelt de Raad dat er geen bewuste overweging is gemaakt ten aanzien van het koppelingsbeginsel bij het al dan niet uitsluiten van de niet-rechthebbende. Er kan dus niet gesteld worden dat er sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening. Ook kan er wat de Raad betreft geen compensatie geboden worden op basis van bijzondere bijstand. Doordat er binnen het gezin een substantieel deel aan besteedbaar inkomen wordt gemist, moet gesteld worden dat er onder het sociaal minimum wordt geleefd. Een afstemming van de norm naar boven op basis van artikel 18 lid 1 PW ligt daarom meer voor de hand en sluit beter aan bij de werking en geest van de bijstandswet. De Raad koppelt deze gedachte wel heel uitdrukkelijk aan het hebben van een niet-rechthebbende partner die geen eigen inkomen kan genereren. De basisgedachte bij het niet verstrekken van een lager kindgebondenbudget is echter dat, bij aanwezigheid van een toeslagpartner, deze in beginsel een inkomen kan genereren en er hierdoor geen noodzaak is tot het verhogen van het kindgebonden budget. Dit is anders wanneer er sprake is van een partner zonder geldig verblijfsrecht.

Naar aanleiding van deze uitspraken is er nog niet gereageerd door het ministerie, ook zijn er nog geen kamervragen over gesteld.

Naar boven

En verder ...

Naar boven


JURISPRUDENTIE

Loonkostensubsidie niet beperken naar loonwaarde

Een werkgever is in beroep gegaan tegen een beslissing van de gemeente Utrecht. Deze gemeente heeft in zijn lokale regels opgenomen dat de wettelijke loonkostensubsidie voor personen die niet het minimumloon kunnen verdienen verstrekt wordt bij een loonwaarde tussen de 50% en 80%. Wanneer de loonwaarde lager ligt dan 50%, zoals in dit concrete geval, dan verstrekt de gemeente een loonkostensubsidie die maximaal 50% van het wettelijk minimumloon is. Nu de loonwaarde van de medewerker die is aangenomen door de werkgever een loonwaarde heeft van 39%, vindt de werkgever dat hem ten onrechte subsidie wordt onthouden. De rechtbank Midden-Nederland stelt de werkgever in het gelijk en geeft aan dat de wet geen ruimte biedt aan de gemeente om op een dergelijke manier de doelgroep voor de loonkostensubsidie te beperken. De rechtbank vernietigt het besluit van de gemeente en geeft de gemeente zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen.

Voor de volledige uitspraak klikt u hier.

Naar boven

Het afstemmen van een uniforme maatregel

In deze zaak is de gemeente van oordeel dat er na een eerdere maatregel op basis van de uniforme arbeidsverplichtingen sprake is van recidive. Na de eerste verlaging die voor een maand is opgelegd en 100% betrof, stelt de gemeente vast dat de volgende maatregel twee maanden moet duren en eveneens 100% moet zijn. Met als gevolg dat belanghebbende in een periode van vier maanden in totaal drie maanden geen bijstand ontvangt. De gemeente is van oordeel dat er geen sprake is van dringende redenen, ten tijde van het hoger beroep bevestigt de gemeente dit oordeel nogmaals, op basis van de tijdens de procedure aangedragen feiten. De Centrale Raad kan zich niet vinden in het standpunt van de gemeente en stelt dat er wel rekening gehouden moet worden met dringende redenen. De Raad bevestigt nogmaals dat de dringende redenen uit artikel 18 lid 10 PW niet inhouden dat er sprake moet zijn van een onaanvaardbaarheid van de gevolgen, maar dat deze breder uit vallen te leggen. Het feit dat het gaat om een periode van vier maanden waar in totaal drie maanden geen bijstand wordt ontvangen, levert wat de Raad betreft zeer ingrijpende financiële gevolgen op. Ook stelt de Raad vast dat belanghebbende wel enige medewerking heeft geleverd aan het traject en dat het traject ook niet door toedoen van belanghebbende tot een vroegtijdig einde is gekomen. Daarnaast speelt het feit dat zij onder beschermingsbewind is geplaatst, een tekort aan beltegoed had en zich daarom niet op de voorgeschreven wijze kon afmelden ook een rol. De Raad vernietigt het besluit van de gemeente en stelt vast dat er een nieuwe beslissing genomen moet worden.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Politie-academie is een opleiding die valt onder uitzonderingen kostendelersnorm

De Rechtbank Gelderland komt tot de conclusie dat deelname aan een opleiding op de politie-academie er voor zorgt dat de uitzondering van artikel 19a lid 1 onderdeel d PW van toepassing is. De meerderjarige zoon die een dergelijke opleiding volgt dient dus niet meegenomen te worden bij de beoordeling of de kostendelersnorm van toepassing is. In dit geval komt belanghebbende in aanmerking voor een volledige alleenstaandennorm.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Verkrijgen van werk of niet meewerken aan voorziening gericht op arbeidsinschakeling

De gemeente Helmond heeft iemand voorgedragen bij een werkgever. Er ligt een dienstbetrekking voor belanghebbende in het verschiet, maar deze zal eerst succesvol een proefplaatsing moeten doorlopen bij deze werkgever. Dit wordt voorafgegaan door een sollicitatiegesprek tussen belanghebbende en de werkgever. Hij komt te laat voor het gesprek en in dit sollicitatiegesprek geeft belanghebbende er blijk van niet gemotiveerd te zijn voor de baan. Het zou gaan om een functie als reparateur van houten pallets, belanghebbende geeft aan niet geïnteresseerd te zijn in hout en de voorkeur te geven aan een ander beroep. Het komt daarom niet tot een proefplaatsing en dus ook niet tot het uiteindelijke baanaanbod. De gemeente stelt in eerste instantie dat hier sprake is van het in onvoldoende mate inspannen om werk te verkrijgen en dat dit met de houding en het gedrag van belanghebbende te maken heeft. Zij baseert de uiteindelijke verlaging op artikel 18 lid 4 onderdeel g PW. Tijdens de zitting wordt door alle procespartijen en de Centrale Raad vastgesteld dat een proefplaatsing gezien dient te worden als een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening en daarmee dus niet valt onder 18 lid 4 onderdeel g PW. Nu de proefplaatsing bij de werkgever niet tot stand komt, kan ook niet gesproken worden van het feit dat er niet wordt meegewerkt aan deze voorziening, en daarom kan de verlaging ook niet gebaseerd worden op basis van artikel 18 lid 4 onderdeel h PW. Nu er een grondslag ontbreekt voor de uiteindelijke maatregel-oplegging stelt de Raad vast dat deze komt te vervallen.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Budgetconsulent is geen gemeente

De Centrale Raad behandelt een zaak waarin de gemeente van oordeel is dat de inlichtingenplicht is geschonden. Uit nader onderzoek blijkt namelijk dat bepaalde bijschrijvingen en stortingen op de bankrekening niet gemeld zijn bij de gemeente. Er is echter sprake van budgetbeheer door de Kredietbank, en belanghebbende geeft aan dat hier deze mutaties op de bankrekening besproken en bekend zijn en dat hierdoor de inlichtingenplicht richting de gemeente is nageleefd. Doordat zij in een schuldhulpverleningstraject zat en een brief had gekregen dat zij alle relevante informatie over bijschrijvingen en stortingen moest melden aan de Kredietbank, heeft zij gedacht dat hiermee voldoende inlichtingen waren verstrekt. De Centrale Raad denkt hier anders over en stelt vast dat de Kredietbank niet de bijstand betaalt en dat er dus ook zeker nog verplichtingen richting de gemeente bestonden.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Handel in hennep geen reden voor aannemen grove schuld of opzet

Een gemeente krijgt er weet van dat bij een echtpaar een voorraad hennep is gevonden nadat door de Sociale Recherche ook is vastgesteld dat het echtpaar in hennep heeft gehandeld. De gemeente komt hierdoor tot de conclusie dat er sprake is van het schenden van de inlichtingenplicht en legt een boete op. Het echtpaar zou namelijk te weinig informatie hebben geleverd over hun inkomsten uit het verhandelen van deze hennep. Bij het opleggen van de boete gaat de gemeente, omdat er sprake is van handel in hennep, uit van opzet. De Centrale Raad gaat hier niet in mee. Zij stellen vast dat het enkele gegeven van de handel in hennep niet zorgt voor een meer dan gemiddelde verwijtbaarheid. Zodoende stelt de Raad vast dat de boete moet worden gematigd. En omdat de gemeente ook geen rekening heeft gehouden met draagkracht, valt de boete fors lager uit.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Artikel

Meer mensen aan de slag met loonkostensubsidie?

Gemeentelijke beperking doelgroep loonkostensubsidie vergroot kloof vertrouwen in de overheid

Gemeenten kunnen loonkostensubsidie inzetten als instrument voor mensen die niet het wettelijk minimumloon (WML) kunnen verdienen. Het gaat dan om mensen voor wie de gemeente verantwoordelijk is om te ondersteunen bij het vinden van werk.1 De gemeente moet natuurlijk wel eerst vaststellen dat deze mensen niet in staat zijn om dat WML te verdienen als zij voltijds zouden werken.2 Voor die vaststelling moet de gemeente een verordening hebben waarin in elk geval regels moeten staan over:

  • de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, en
  • de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.

De loonkostensubsidie is het verschil tussen het (bruto) WML en de vastgestelde loonwaarde. De hoogte van de subsidie kan maximaal 70% van het WML bedragen. Daarbovenop komt dan nog een vergoeding voor de werkgeverlasten (23,5%). Daarmee worden werkgevers dus als het ware gecompenseerd voor de verminderde productiviteit van de werknemer met een arbeidsbeperking. Maar wat nu als een gemeente de doelgroep voor loonkostensubsidie in haar eigen verordening begrenst tot een loonwaarde die niet lager is dan 50%? Deze casus en haar gevolgen waren onderwerp van geding in een beroepsprocedure bij de rechtbank Midden-Nederland.3 De casus laat zien dat er een fundamenteel verschil van inzicht lijkt te bestaan over de regeling tussen de wetgever en de decentrale overheden die haar uit moeten voeren. Maar ook in een aantal bestuursrechtelijke opzichten is de uitspraak illustratief voor de fundamentele kloof qua vertrouwen tussen overheid, bedrijfsleven en burger. Eerst maar even de casus.

Op 31 oktober 2016 vraagt een werkgever bij de gemeente loonkostensubsidie aan voor zijn werknemer. De vastgestelde loonwaarde van de werknemer is 39% van het WML.4 In de Participatiewet is vastgelegd dat het verschil tussen het wettelijk minimumloon en de loonwaarde van de belanghebbende maximaal 70% is.5 In deze beroepszaak staat de vraag centraal of de gemeente door middel van haar verordening deelname van personen aan de loonkostensubsidieregeling met een loonwaarde tussen de 50 en 80% mag limiteren op maximaal 50%. De werkgever voert aan dat de gemeente überhaupt geen bevoegdheid heeft om een dergelijke beperking aan te brengen. De wet schrijft immers in artikel 6 en 10d PW dwingendrechtelijk voor wat de definitie van loonkostensubsidie is en wat de spelregels zijn. De rechtbank doet nader onderzoek naar deze beroepsgrond door aan de gemeente in de procedure de vraag voor te leggen op grond van welke bevoegdheid de beperking is vastgesteld op 50%? Door middel van een brief van 11 december 2017 komt de gemeente met een nader standpunt, die zo lijkt het, integraal door de rechtbank in de einduitspraak is overgenomen. In het nadere standpunt komt de gemeente terug op haar aanvankelijke verweer dat artikel 6 eerste en tweede lid PW haar de bevoegdheid geeft om door middel van de Verordening beperkingen te stellen aan de definitie van artikel 6 eerste lid PW. Daarmee wordt de beslechting van het beroep door de rechtbank eenvoudig. Onomwonden stelt de rechtbank vast dat, (in beroep) kennelijk met partijen, de gemeente regels mag stellen over de wijze waarop de loonkostensubsidie wordt vastgesteld en of een persoon tot de doelgroep voor die regeling behoort. Maar verder voert die bevoegdheid niet. Formeel baseert de rechtbank haar uitspraak op de Invoeringswet werken naar vermogen6 waarin de regering, na consultatie met de sociale partners, er bewust voor heeft gekozen om de grens voor de loonwaarde te leggen bij 100% van het WML. Verder is daarbij nog van belang dat over de bevoegdheid van de gemeente om nadere regels te stellen is overwogen dat gemeenten (binnen de kaders van de wet) de manier kunnen kiezen waarop zij bepalen of mensen tot de doelgroep behoren van de loonkostensubsidie en of die regeling voor hen wordt ingezet. Hieruit volgt niet, zo schrijft de rechtbank in de uitspraak, dat gemeenten bevoegd zijn om criteria vast te leggen met betrekking tot de doelgroep van de loonkostensubsidie. De bepaling in de verordening wordt dan ook onverbindend verklaard. Het beroep is dan ook gegrond en het primaire besluit tot toekenning van de loonkostensubsidie wordt herroepen. De rechtbank geeft opdracht aan de gemeente om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Vanaf een afstand bezien. De uitspraak en verschillende casussen in het land laten zien dat een aantal gemeenten die de loonkostensubsidie uitvoeren anders denken over wie tot de doelgroep van de regeling behoort dan de wetgever. Een snel rondje langs de gemeentelijke velden op het internet laat zien dat er meerdere gemeenten zijn die een dergelijke beperking hanteren (via de Verordening dan wel via nader te stellen regels). Zo'n beperking wordt doorgaans gemotiveerd met het argument dat de regeling duur is. Gemeenten hebben daartoe de grens voor de loonkostensubsidie bij 50% gelegd. Steek je in op een loonwaarde van 50%, dan kun je voor hetzelfde geld meer mensen aan het werk helpen, zo luidt het argument. Ook wordt er voorondersteld dat iemand met een loonwaarde van 30% waarschijnlijk niet interessant is voor een werkgever, althans lastiger te plaatsen. Achterliggend belang hierbij is doodordinair geld (70% subsidie + 23,5% werkgeverslasten = bijna volledige PW-uitkering7). Gemeenten schenden hiermee het maatwerkprincipe dat voor deze doelgroep voor ogen staat. En het miskent de wettelijke opdracht die gemeenten hebben via de PW. Ook gaat het m.i. voorbij aan wat in de kern de functie van subsidie is.8 Het standaardvoorbeeld is het geval van iemand met een beperking in het autistisch spectrum. Plaats zo iemand bij, zeg een ICT-bedrijf en zijn loonwaarde zou 70% kunnen zijn. Plaats diezelfde persoon achter de lopende band en de loonwaarde zou zomaar kunnen dalen naar, zeg 40%. De keuze om juist in ieder individueel geval maatwerk toe te passen is gemaakt door de wetgever in Den Haag. Zoals de uitspraak ook mooi aangeeft is het niet aan de uitvoerder (i.c. de gemeente) om zelf (vanwege financiële redenen) een beperking in die doelgroep aan te brengen. Dit met als redenering dat er dan meer mensen met hetzelfde geld aan het werk geholpen kunnen worden. Het ging (en gaat) erom om juist bij de groep van mensen met een loonwaarde van 30% te kijken in welke setting/omstandigheden de loonwaarde voor die persoon geoptimaliseerd kan worden. Onder het vorige Kabinet zijn aan gemeenten extra middelen beschikbaar gesteld, mede ter realisering van het doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Recent onderzoek laat zien dat overheidswerkgevers die doelstelling bij lange na nog niet gehaald hebben.9 Een eenzijdige verlaging van de loonkostensubsidiegrens naar 50% is daarbij niet behulpzaam. Naast deze trieste constatering is er nog meer te schrijven over de uitspraak. Allereerst over het feit dat hier een werkgever de overheid middels een juridische procedure aanspreekt op het feit dat die zich niet aan de wet houdt! Een overheid die, wil zij haar eigen doelstellingen kunnen halen, diezelfde werkgevers keihard nodig heeft om mensen succesvol geplaatst te krijgen. Elkaar in de rechtszaal bevechten is daarbij m.i. geen goed uitgangspunt om tot een optimale samenwerking (lees zoveel mogelijk mensen aan een baan helpen) te kunnen komen. Verder geeft de uitspraak mooi weer hoe de overheid vast kan zitten in haar 'eigen gelijk'. Als verweer naar de werkgever stelde de gemeente aanvankelijk dat zij wel degelijk beschikte over de bevoegdheid om de doelgroep te beperken tot maximaal 50% van de loonwaarde. Pas toen de zaak bij de rechtbank diende en de rechtbank de gemeente om nadere toelichting vroeg, ontstond het 'inzicht' dat de gemeente haar bevoegdheid overschreed. Nu is dat denkbaar, voortschrijdend inzicht noemen we dat in de uitvoeringspraktijk. Echter, wie tot voortschrijdend inzicht komt, dient daar ook iets mee te doen! Wat had in deze casus dan voor de hand gelegen? Tegelijk met de brief van 11 december 2017 had de gemeente een herzieningsbesluit kunnen nemen10. Het had dan niet eens tot een uitspraak van de rechtbank hoeven te komen. Het gerechtelijk oordeel nu brengt de gemeente verder van huis in die zin dat de rechtbank de beschikking op bezwaar vernietigt en het primaire besluit herroept. Met deze herroeping is het onrechtmatig handelen van de gemeente een gegeven. Dat is weer grond voor het moeten vergoeden van schade. Op grond van artikel 4:102 Awb is er niet slechts ruimte voor een nabetaling van de gemiste subsidie als gevolg van de te laag vastgestelde loonkostensubsidie, maar tevens voor vergoeding van de wettelijke rente wegens het te laat uitbetalen van die bestuursrechtelijke geldschuld. Op de jaarvergadering van de VAR11 van vorig jaar bracht prof. Leo Damen een prachtig pre-advies uit in het kader van het thema 'Vertrouwen in de overheid'. Aan het eind formuleert hij maar liefst twee pagina's aanbevelingen voor de burger om te gebruiken in zijn contacten met de overheid. Aanbevelingen die hard nodig zijn omdat hij tot de trieste constatering kwam dat de burger zijn overheid niet kan vertrouwen en daarom elke stap in zijn contact zoveel mogelijk vast moet leggen, controleren en bevestigen. Het maakt de kloof tussen burger en overheid alleen maar groter. Een dergelijke handelswijze als hier aan de orde draagt m.i. zeker niet bij aan het verminderen van die kloof.

Gjalt Schippers,
Staffunctionaris/ADR register mediator,
Langhenkel Opleiding, Training en Advies

  1. Artikel 6 en 7 PW
  2. Artikel 6, eerst lid onder e PW
  3. ECLI:NL:RBMNE:2018:2708
  4. Artikel 6 lid 1 onderdeel g. PW
  5. Artikel 10d vierde lid PW
  6. Pag. 61
  7. Voor de juiste nuance: het is meer dan de norm alleenstaande (ouder) maar minder dan de gehuwdennorm.
  8. Zie artikel 4:21 eerste lid Awb . …….door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. I.c. gaat het dus om de activiteit: het aan het werk helpen van mensen met een arbeidsbeperking.
  9. Resultaten banenafspraak eind 2017 (drie-meting)
  10. Artikel 6:16 Awb
  11. Vereniging voor bestuursrecht

Naar boven


Aan de totstandkoming van deze nieuwsbrief is de uiterste zorg besteed. Voor informatie die nochtans onvolledig of onjuist is opgenomen, aanvaarden de auteur(s), redactie en uitgever geen aansprakelijkheid. Voor eventuele verbeteringen van de opgenomen gegevens houden zij zich aanbevolen. Aan de inhoud van deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend. Indien u geen prijs stelt op toezending van deze nieuwsbrief, dan kunt u zich hier afmelden.