Kop
         
 

Editie 1-2019


Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Opleidingsaanbod 2019
Onze Opleidingsfolder
2019
en Trainingsfolder
2019
zijn beschikbaar.


Nieuw: folder Mediation
en beleidsbemiddeling
in het publieke domein
.
Met opleidingen en
trainingen, implementatie-
trajecten, de inzet van
mediators en beleids-
bemiddelaars en nog
veel meer ...


Schema's mediation
en gratis praktijktools

Nieuw: gratis schema's
mediation en
beleidsbemiddeling, klik
hier om ze te downloaden.

Daarnaast zijn onze gratis
praktijktools waar nodig
geactualiseerd. U kunt ze
hier bestellen.


Klik hier voor een
overzicht van alle
nieuwsbrieven

van Langhenkel.


Klik hier voor een
overzicht van ons
aanbod voor wijkteams.


We hebben nog
enkele plaatsen
beschikbaar bij
onder andere de
volgende cursussen
en trainingen:

Workshop bijstand
en belastingen
,
4 februari in Breukelen

Cursus privacy en
gegevensbescherming
,
6 februari in Breukelen

Starterscursus voor
financieel medewerkers/
uitkeringsadministrateurs
,
start 6 februari in Breukelen

Opleiding tot consulent
Wmo 2015 / Jeugd
,
start 11 februari in
Utrecht

Cursus debiteuren-
administratie
,
12 februari in Rosmalen

Cursus schuldhulp-
verlening voor
bewindvoerders
,
start 14 februari
in Rosmalen

Actualiteitencursus
Participatiewet
,
18 februari in Rosmalen

Actualiteitencursus
uitkeringsberekening
Participatiewet
,
19 februari in Rosmalen

Actualiteitencursus
uitkeringsberekening
Participatiewet
,
21 februari in Rosmalen

Cursus medewerker
bezwaar en beroep
,
25 februari in Zwolle

Cursus uitkerings-
berekening
Participatiewet
,
start 6 maart in
Breukelen

Cursus indicatiestelling
Wlz door het CIZ voor
het sociaal (wijk)team Ė
de juiste verwijzing
,
7 maart in Zwolle

Opleiding tot
financieel medewerker
uitkeringsadministratie
,
start 11 maart in Zwolle

Starterscursus Wmo
2015
, start 11 maart in Rosmalen

Basiscursus
Participatiewet voor
re-integratie-
professionals
,
start 21 maart in Rosmalen

Opleiding tot
kwaliteitsmedewerker
sociaal domein
,
start 4 april in Zwolle

Opleiding tot
re-integratieprofessional
,
start 16 april in
Zwolle/Rosmalen/Utrecht

Cursus Participatiewet,
Wet maatschappelijke
ondersteuning,
Jeugdwet en
schuldhulpverlening
in vogelvlucht
,
17 april in Zwolle

Cursus de Wet
langdurige zorg Ė
opfrissing en verdieping
,
18 april in Rosmalen

Cursus mentorschap
en curatele voor
bewindvoerders
,
start 18 april in Zwolle

Cursus arbeids-
re-integratie en
statushouders
,
start 8 mei in Breukelen

Actualiteitencursus
uitkeringsberekening
Participatiewet
,
8 mei in Breukelen

Basiscursus terug-
en invordering
,
start 15 mei in Breukelen

Cursus verhaal Ė
berekening van de
onderhoudsbijdrage
,
start 21 mei in Rosmalen

Cursus mentorschap
en curatele voor
bewindvoerders
,
start 13 juni in Zwolle

In company maatwerk
Ons gehele opleidings-
aanbod kan ook in
company en op maat
worden verzorgd. Voor
meer informatie of een
vrijblijvende offerte
mailt u naar
opleidingen@langhenkel.nl
Personele
ondersteuning
nodig?
Mail naar detachering@langhenkel.nl


 

Dit is de eerste uitgave van De Langhenkel Nieuwsbrief werk & inkomen in het jaar 2019.

Deze nieuwsbrief wordt samengesteld door Robin Hutten, staffunctionaris en docent bij Langhenkel Opleiding, Training & Advies. Voor opmerkingen of suggesties over de Langhenkel Nieuwsbrief kunt u Robin bereiken via telefoonnummer 06 - 5575 14 98 en 038 - 467 72 00 of per e-mail: rhutten@langhenkel.nl. Ook als u beschikt over interessante uitspraken die naar uw oordeel dienen te worden opgenomen in de nieuwsbrief, dan vernemen wij graag van u.

Nieuwsbrief ook ontvangen?
De nieuwsbrief wordt verstuurd aan onze medewerkers, klanten en overige belangstellenden. Wilt u daar bij horen? Klik hier.


INHOUDSOPGAVE

NIEUWSBERICHTEN

Beroepsopleidingen die binnenkort van start gaan

Onderzoekscommissie Chroom-6-affaire haalt hard uit naar NedTrain en gemeente Tilburg

Staatssecretaris Van Ark slijpt de messen voor gesprekken over Taaleis en Tegenprestatie

Simpel switchen in de Participatieketen

Jongeren in regio Haarlem stoppen met opleiding en gaan werken

Terugvorderen van bijstand vaak te voorkomen

Gemeente Breda zet in op tegenprestatie

Gemeente Nieuwegein is zelf de nieuwe uitvoerder van de WSW

Verschillende projecten om mensen uit de bijstand te helpen

UWV wijst ten onrechte claims op Wajong af

En verder ...

JURISPRUDENTIE, lees verder

ARTIKEL

Herstelartikel nader belicht
BeŽindiging schuldhulpverlening geeft meer duidelijkheid over bevoegdheid tot correctie


Beroepsopleidingen die binnenkort van start gaan:

Daarnaast beginnen binnenkort de:


NIEUWSBERICHTEN

Onderzoekscommissie Chroom-6-affaire haalt hard uit naar NedTrain en gemeente Tilburg

In een eerdere nieuwsbrief zijn we al ingegaan op de Chroom-6-affaire in de gemeente Tilburg en het daarmee samenhangend onderzoek. Op 31 januari 2019 is de onafhankelijke commissie, die is opgericht om deze affaire te onderzoeken, met een eindrapport gekomen. Zij stellen in hun eindrapport dat door het onbeschermd werken met chroom-6 bij een verplicht re-integratieproject onnodig leed is veroorzaakt. Zo'n 800 deelnemers en medewerkers zijn in meer of mindere mate blootgesteld aan chroom-6. Daarvoor worden de contractpartners, dit zijn de gemeente Tilburg, de Nederlandse Spoorwegen en het Spoorwegmuseum, verantwoordelijk gehouden. De partners weken af van afspraken uit de eigen samenwerkingsovereenkomst. De gemeente Tilburg verzaakte de wettelijke zorgplicht. NedTrain, nu onderdeel van de NS, deelde essentiŽle informatie niet met de gemeente Tilburg en het Spoorwegmuseum. Tijdens deelname aan het bedoelde traject werd aan deelnemers opgedragen om oude treinstellen te schuren, zonder adequate veiligheidsvoorzieningen. Bij veel oud-deelnemers zijn, ernstige, gezondheidsklachten ontstaan.

De commissie stelt dat de gemeente zich niet hield aan de voorschriften van de Arbowet. De beschermingsmaatregelen op het gebied van veiligheid en gezondheid waren niet goed of niet aanwezig. Dat er daadwerkelijk chroom-6 aanwezig was op de treinstellen en dat dit vrijkwam wist de gemeente niet, aldus de commissie. NS-NedTrain wist als enige van de drie contractpartners over de gezondheidsrisico's van chromaathoudende verf. Ze had kennis over de gevaren van het werken met schuurstof met daarin chroom-6. NS-NedTrain wist ook van de werkprocessen en voorschriften die voor het beschermen van veiligheid en gezondheid nodig zijn. De commissie vindt dat NS-NedTrain die informatie had moeten delen met de andere twee contractpartners. Vooraf en actief, dit is niet gedaan.

Een vergoeding aan de mensen die hebben gewerkt bij tROM op de locatie NS-NedTrain is wat de commissie betreft noodzakelijk. Deze tegemoetkoming moet voor iedereen gelden die in deze constructie op de locatie NS-NedTrain heeft gewerkt. Het is een genoegdoening van geleden immateriŽle schade (bijvoorbeeld stress, slapeloze nachten, impact op het psychisch welbevinden) die door langere tijd van onzekerheid over mogelijke schade aan de gezondheid is teweeggebracht. Daarnaast moet er een aanvullende compensatie geboden worden voor de mensen die een chroom-6 te relateren ziekte of aandoening hebben of nog krijgen die voorkomt op de lijst van het RIVM-onderzoek. Tenslotte stelt de commissie een aanvullende voorziening voor, voor mensen die vallen onder de compensatie en menen daarnaast een substantieel verlies te hebben geleden.

De aanbevelingen van de commissie reiken overigens verder dan alleen de drie contractpartijen. 'Herken, erken, voorkom', schrijft de commissie. Want gebeurtenissen zoals in Tilburg staan niet op zich. Overal in Nederland ligt het maken van fouten op de loer bij het werken met gevaarlijke stoffen. Daarom stelt men onder meer voor om handhaving te versterken en toekomstige schadeafhandeling te vergemakkelijken. Ook vindt de commissie het vergroten van de bekendheid van de zorgplicht onder werkgevers (of aanbieders van re-integratie) nodig.

Naar boven

Staatssecretaris Van Ark slijpt de messen voor gesprekken over Taaleis en Tegenprestatie

Op 16 januari jl. heeft staatssecretaris Van Ark een brief aan de Tweede Kamer verzonden waarin zij ingaat op de punten uit het regeerakkoord waar het gaat over het maken van afspraken met gemeenten over de uitvoering van de Taaleis en de Tegenprestatie. Al langere tijd is het een doorn in het oog van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat er gemeenten zijn die niet de uitvoering geven aan deze wettelijke verplichtingen die het ministerie wenst. Gemeenten op hun beurt vinden goeddeels dat het ministerie zich niet dient te mengen in de uitvoering van de Participatiewet nu deze is gedecentraliseerd naar de gemeente.

Om goed voorbereid in gesprek te gaan met gemeenten heeft de staatsecretaris aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gevraagd onderzoek te doen naar de uitvoering van de Taaleis en de Tegenprestatie. Voor wat betreft de eerstgenoemde regeling geldt dat in de jaren 2017 en 2018 gegevens zijn verzameld over de uitvoering van deze verplichting die personen in de bijstand dwingt om de Nederlandse taal te leren voor zover dit nog niet op het gewenste niveau zit. Voor het kwalitatief onderzoek zijn 22 gemeenten bevraagd over hun werkwijzen. Aan de hand van deze resultaten heeft men een beeld geschetst dat representatief is voor de uitvoering in heel Nederland. Als kwantitatief onderzoek zijn 225 organisaties bevraagd met een in te vullen vragenlijst. Onder meer over hoeveel taaltoetsen er in een bepaalde periode zijn afgenomen en hoeveel formele en informele taalvoorzieningen er zijn aangeboden aan personen in de bijstand. Ook is bekeken in hoeveel zaken er sprake is geweest van een verlaging op basis van de Taaleis.

Uit het onderzoek van het CBS blijkt dat er in 2018 weinig is veranderd ten opzichte van een jaar ervoor. In 2017 is al de conclusie getrokken dat de Taaleis niet volgens de wensen van het ministerie wordt uitgevoerd. De aankondigingen in het Regeerakkoord en eerdere communicatie van het ministerie dat de Taaleis onderwerp van gesprek ging worden en dat er gestuurd zal worden op een correcte uitvoering ten spijt. Een veel gehoorde opmerking van gemeenten is dat zij met het aanpassen van beleid willen wachten tot er meer helderheid is over de herziening van het huidige inburgeringsstelsel. In dit nieuwe stelsel komt er meer verantwoordelijkheid naar de gemeente ten aanzien van de inburgering. Op dit moment wordt op het ministerie gewerkt aan dit wetsvoorstel en moet nog worden bepaald hoe het handhavingsbeleid in deze nieuwe regeling er uit gaat zien. Hierop wachten is onacceptabel wat het ministerie betreft. Zij schrijft in haar begeleidende brief dat het niet de bedoeling kan en mag zijn dat mensen door taal aan de kant komen te staan. Wel geeft ze aan open te staan voor gesprekken met gemeenten en ook te willen luisteren naar de kritische noten die er te kraken zijn over de onvolkomenheden in wetgeving.

De uitvraag door het CBS over de Tegenprestatie levert op dat er in maart 2018 sprake is geweest van 26.200 tegenprestaties. Ook is opgevallen dat er gemeenten zijn die geen tegenprestatie vragen als iemand al maatschappelijk betrokken is. Andersom is ook het geval, als iemand participeert door middel van vrijwilligerswerk dan komt het voor dat gemeenten hier een tegenprestatie van maken. Ook ontstaat het beeld dat niet elke gemeente de registratie van de tegenprestatie heel zuiver bijhoudt. De gegevens over de tegenprestatie zijn afkomstig van 340 gemeenten. Er is hiermee door 90% van alle gemeenten gereageerd. De staatssecretaris is kritisch op 40% van de gemeenten die aangeven geen tegenprestatie te vragen. Ze koppelt hieraan dat hierdoor mensen onnodig aan de kant staan, ook hekelt ze het feit dat er door gemeenten een vrij negatief beeld aan de tegenprestatie wordt gekoppeld, het zou juist een mooi systeem van wederkerigheid en participatie moeten zijn wat haar betreft.

Inmiddels heeft de staatssecretaris afspraken gemaakt met de VNG over de manier waarop de gesprekken met de gemeenten gevoerd gaan worden. Ook in de eerstvolgende editie van Gemeentenieuws komt zij nog terug op beide onderwerpen en zal zij aansturen op een betere naleving van deze verplichtingen. Pas aan de hand van de gesprekken zal zij aan kunnen geven welke aanvullende maatregelen er worden doorgevoerd om de naleving naar een hoger plan te tillen.

De VNG neemt alvast positie in en geeft op de eigen website aan groot voorstander te zijn van de beleidsvrijheid die gemeenten hebben gekregen. Dit zal ook het eerste vertrekpunt bij de gesprekken moeten zijn. Ook schetst zij dat straffen en sanctioneren in uitkeringssituaties niet bewezen effectief zijn en dat daarmee de Tegenprestatie en de Taaleis geen doel op zich zouden moeten zijn.

Naar boven

Simpel switchen in de Participatieketen

In de stukken omtrent het zogenaamde breed offensief, waarin wordt uitgelegd welke maatregelen er worden ingezet om mensen met een arbeidsbeperking meer kans op een baan te geven, werd al gesproken over 'simpel switchen in de Participatieketen'. Op 27 december 2018 heeft staatssecretaris Van Ark in een brief aan de Tweede Kamer uiteengezet welke maatregelen er genomen moeten en zullen worden om dit doel te bereiken. We zetten een aantal zaken uit deze brief op een rij.

De brief bevat meerdere sporen, in elk spoor worden per thema de knelpunten en de beoogde oplossingen weergegeven.

Spoor 1 gaat over het terug kunnen vallen op de uitkering wanneer blijkt dat werken (even) niet lukt. Doordat er bij uitkeringsgerechtigden zorgen bestaan over het feit of zij al dan niet terug kunnen vallen op hun eerdere uitkeringsrecht (en als dit kan, zij niet exact weten onder welke voorwaarden), werkt dit drempelverhogend om aan de slag te gaan. Het financiŽle aspect van inkomensonzekerheid lijkt hier ook een rol te spelen. Op dit moment is een wetsvoorstel in voorbereiding dat moet regelen dat Wajong-gerechtigden tot hun pensioengerechtigde leeftijd terug kunnen vallen op het eerder verleende recht. Nu is dat in de regel maar vijf jaar het geval. In ditzelfde thema wordt ook naar de PW gekeken. Hier wordt dan vooral ingezoomd op het punt dat het intrekken en het opnieuw toekennen van het recht op bijstand gestroomlijnd moet worden voor personen die aan het werk gaan. Gedacht wordt aan een verkorte aanvraag wanneer het recht minder dan zes maanden onderbroken is geweest. Ook wordt bekeken of de regels omtrent de zoektermijn aanpassing nodig hebben voor jongeren met een arbeidsbeperking.

Het tweede spoor richt zich vooral op een beter inzicht in de financiŽle gevolgen van werkaanvaarding. Het gaat dan bijvoorbeeld over het omgaan met verschillende inkomstenstromen die verschillende betaalmomenten hebben. Ook wordt de samenhang met andere regelingen als toeslagen en herberekeningen van de Belastingdienst genoemd als knelpunt. Er wordt in de brief aangegeven dat er sprake is van een onderzoek dat zich uitstrekt over verschillende ministeries. In dit onderzoek wordt bekeken welke verbeteringen er op korte en lange termijn doorgevoerd kunnen worden in het toeslagenstelsel om herberekeningen te voorkomen. In een ander vergelijkbaar onderzoek wordt bezien welke gevolgen urenuitbreiding kan hebben voor de totale inkomenspositie van een persoon. Dit zijn echter oplossingen voor de langere termijn, voor de korte termijn wordt bekeken of er een rekentool ingevoerd kan worden die snel inzicht biedt in de financiŽle gevolgen van een verandering in de hoogte van het inkomen. Ook wordt hier een andere variant van inkomensverrekening aangehaald met de naam Surplus (zie onder).

In de brief gaat het bij spoor 3 over meedoen op de best passende plek. Hier wordt genoemd dat personen op een dagbestedingsplek vaak de stap naar betaald werk niet zetten. Ook wordt vermeld dat zorgaanbieders, vaak op basis van de Wmo, geen financiŽle prikkel hebben om te investeren in mensen zodat zij kunnen doorstromen naar betaald werk. Binnen de uitvoering van de PW lukt het werknemers in het beschut werk niet om door te stromen naar een reguliere baan wanneer zij daar de mogelijkheden voor hebben. Het ministerie wil hier inzetten op het leren van elkaar. Zo kunnen gemeenten van elkaar leren hoe de doorstroom tussen voorzieningen beter kan, hierin wordt ook eventuele terugval op een eerdere voorziening meegenomen. Daarnaast wordt ook bekeken wat er nodig is om bij meer reguliere werkgevers een beschut werkplek te realiseren. Eenmaal bij een dergelijke organisatie op de werkvloer zou doorstroom makkelijker moeten gaan.

Als laatste wordt het vierde spoor besproken. Dit gaat over de continuÔteit van de begeleiding, vooral toegespitst op de verschillende onderdelen in het sociaal domein en de daarbij behorende professionals. Zo wordt gesteld dat er onvoldoende continuÔteit in de begeleiding is bij met name de overgangen van school naar werk, of zorg naar werk en om aan het werk te blijven. Professionals werken volgens het ministerie onvoldoende integraal. Er komt een handreiking met daarin goede voorbeelden op dit punt. Een ander actiepunt is ook afkomstig uit het breed offensief en houdt verband met het inzetten van maatwerkvoorzieningen: het ministerie is voornemens om ook het principe van een aan te spreken individuele voorziening in de PW op te nemen.

Naar boven

Jongeren in regio Haarlem stoppen met opleiding en gaan werken

Het Haarlems dagblad brengt een bericht naar buiten waaruit blijkt dat er in de regio veel leerlingen op het MBO besluiten om hun opleiding te stoppen. Op dit moment is er veel vraag naar jongeren op de arbeidsmarkt. Het Leerplein in de regio luidt hiervoor de noodklok. Wanneer deze jongeren gaan werken en wat langer doorwerken, brengt dat het risico met zich mee dat zij in de toekomst hun opleiding niet af kunnen maken. Dit is voor de langere termijn, volgens het Leerplein, een zorgwekkende ontwikkeling. Er wordt vanuit deze organisatie een appel op de werkgevers in de regio gedaan. Hen wordt verzocht om niet alleen naar de korte termijn te kijken en ook met jongeren die bij hen werken in gesprek te gaan. Maar ook om in te zetten op bijscholing van deze jongeren en ook bij te dragen aan de kosten van deze opleidingen.

Tegelijkertijd worden ook zorgen geuit over de regels voor jongeren met een licht verstandelijke beperking. Eerder waren zij wellicht in de Wajong bij het UWV terecht gekomen, nu moeten zij een beroep doen op de Participatiewet. Gemeenten hebben dan de keuze tussen bijvoorbeeld dagbesteding en beschut werk. Wanneer de eerstgenoemde voorziening wordt aangeboden is er vaak geen sprake van aanvullende, op beter arbeidsmarktperspectief gerichte, ondersteuning.

Naar boven

Terugvorderen van bijstand vaak te voorkomen

Binnenlands Bestuur komt eind januari met een artikel over het terugvorderen van bijstand. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt duidelijk dat er eind 2017 voor een bedrag van 1,5 miljard euro aan bijstandsvorderingen uit staat. Een groot deel van deze vorderingen blijkt in de praktijk moeilijk tot niet in te vorderen. Uit een rapport van Divosa blijkt dat het bedrag aan bijstandsvorderingen op jaarbasis met 21 miljoen euro toeneemt en dat ongeveer de helft van dit bedrag is terug te voeren op het feit dat administratieve afdelingen vaak gegevens te laat of niet goed verwerken. Deze vorderingen zijn in de regel vrij eenvoudig te innen.

Het wordt lastiger wanneer het gaat om een vordering die is ontstaan uit het schenden van de inlichtingenplicht. De bedragen van deze vorderingen lopen sneller op en vaak hebben personen die hier mee te maken krijgen al andere schulden. Fraude-vorderingen hebben een aandeel van 14% in de totale som, nog eens 16% komt voor rekening van de door de gemeenten verleende kredieten voor bijvoorbeeld bijzondere bijstand of leningen binnen de Bbz 2004.

Uit het onderzoek komt naar voren dat een groot deel van de vorderingen, vooral deze die zijn terug te voeren op de werkwijze van de gemeente zelf, is te voorkomen. Heldere communicatie en vaker contact met personen in de bijstand zou al een aanmerkelijk verschil kunnen maken. Er wordt aangegeven dat veel mensen in de bijstand al frauderen door juist niets te doen. Door regelmatiger na te gaan of er nog recht op bijstand is duren zaken minder lang voort. Een duidelijker uitleg over welke informatie relevant is voor de gemeente is hierbij ook van belang.

Naar boven

Gemeente Breda zet in op tegenprestatie

In de gemeente Breda wil men toe naar een nieuwe werkwijze waarin het leveren van een tegenprestatie centraal staat. Aan de gemeenteraad zijn de plannen voorgelegd om het participeren van personen die langer dan vijf jaar bijstand ontvangen te verhogen. De bedoeling is om een tegenprestatie op te leggen, ook als iemand al vrijwilligerswerk verricht of mantelzorger is. Dagblad BN De Stem publiceerde een persbericht over deze koerswijziging. In dit bericht is ook opgenomen wat de sanctie is wanneer de tegenprestatie niet wordt uitgevoerd. Men raakt dan de uitkering kwijt staat te lezen. In de huidige afstemmingsverordening van de gemeente Breda is opgenomen dat het niet verrichten van de tegenprestatie een verlaging oplevert van 10%. De sanctie gaat dus flink omhoog, maar omdat het recht op bijstand niet gekoppeld is aan de verplichting van de tegenprestatie, lijkt echter dat de gemeente de uitkering niet daadwerkelijk kan intrekken. Het lijkt dan ook aannemelijker dat in Breda sprake zal zijn van een verlaging van 100% als de gemeenteraad akkoord is gegaan. In het bericht wordt tevens aangegeven dat de gemeente niet van plan is mensen uit te nodigen en dan in gesprek te gaan. De insteek is de mensen die langer dan 5 jaar van de bijstand gebruikmaken bezoek krijgen en dat er thuis gesproken wordt over de nieuwe verwachtingen vanuit de gemeente.

Naar boven

Gemeente Nieuwegein is zelf de nieuwe uitvoerder van de WSW

Per 1 januari 2019 is de gemeente Nieuwegein zelf de WSW uit gaan voeren, hiermee is een einde gekomen aan de samenwerking tussen Pauw bedrijven en de gemeente. Pauw bedrijven zelf is opgeheven. De gemeente Nieuwegein neemt alle WSW-medewerkers zelf in dienst. Werk en Inkomen Lekstroom, de regionale sociale dienst waar Nieuwegein in is betrokken, zal zorgen voor de begeleiding en de bemiddeling van de WSW kandidaten. Voor 55 WSW kandidaten die in een beschutte omgeving werken richt de gemeente een aparte stichting op die de naam WerkwIJSS draagt. WSW-ers die begeleid werkten zijn door de gemeenten met hun detacheringsovereenkomsten overgenomen. Meerdere gemeenten in deze regio hebben vergelijkbare stappen ondernomen toen is besloten Pauw bedrijven op te heffen.

Klik hier voor het gehele artikel.

Naar boven

Verschillende projecten om mensen uit de bijstand te helpen

In de afgelopen weken zijn er verschillende initiatieven van gemeenten op het gebied van re-integratie in het nieuws gekomen. De gemeente Rotterdam verzorgt op basis van een proef met 10 personen rijlessen. Deze lessen zijn een opmaat naar een rijbewijs waar een opleiding en baan als brandwacht aan gekoppeld kan worden. Het werken in een dergelijke functie zal vooral in het Botlekgebied zijn en in ploegendienst plaatsvinden. Door te voorzien in een rijbewijs hoopt de gemeente duurzame uitstroom te realiseren. Hierin werkt Rotterdam samen met een uitzendbureau, er lijken goede arbeidsmarktperspectieven in deze sector.

De gemeente Enschede heeft in de vorm van een re-integratietraject een poging gedaan om 60 personen vanuit de bijstand op te leiden tot drone-piloot. Een beroep waarin de betrokken opleider en de gemeente een grote toekomst zien. Drones worden namelijk steeds vaker ingezet voor sterk variŽrende toepassingen. Na een kennismaking met de opleiding en uitleg over de voorwaarden, was de groep al sterk uitgedund tot 12 personen. Van deze groep is nog slechts een klein deel begonnen met de opleiding en iedereen die is begonnen met het leren voor dronepiloot is uiteindelijk ook afgehaakt. Het bleek dat de theorie die in de opleiding zat verwerkt te pittig was voor de deelnemers. Om de theorie in combinatie met andere verplichte onderdelen van het traject beter te laten landen, was juist gekozen om slechts een dag theorie per maand te doen. De opzet was om ze in anderhalf jaar tijd klaar te stomen voor een full-time baan als drone-piloot. In de tussentijd was het de bedoeling dat zij bij een koeriersbedrijf als koerier werkten.

Als ťťn van de gemeenten met grote armoedeproblematiek wil Leeuwarden ook inzetten op uitstroom. Zo worden daar plannen gemaakt om met iedere bijstandsgerechtigde in gesprek te gaan. Ook is men in deze gemeente bezig met een proef om de drempel naar de arbeidsmarkt te verlagen. Deze proef die de naam Surplus draagt regelt dat bijstandsgerechtigden die gaan werken aan de werkgever verzoeken om hun loon direct naar de gemeente over te maken. De gemeente stort dan maandelijks een volledige bijstandsuitkering. Zo is de bijstandsgerechtigde niet meer afhankelijk van verschillende betaalmomenten en ook niet meer van fluctuaties die het (her)berekenen van de bijstand kan veroorzaken. Op dit moment is de proef nog kleinschalig maar er zijn wel plannen om deze proef op korte termijn uit te breiden. Verschillende andere gemeenten sluiten zich ook aan bij Surplus om te onderzoeken of dit een effectieve methode is om vooral mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt meer richting werk te kunnen bewegen.

Naar boven

UWV wijst ten onrechte claims op Wajong af

Aan het begin van dit jaar publiceerde Trouw een artikel over de Wajong. Uit het artikel van Trouw, dat breed in de media is opgepakt, blijkt dat in 33% van de onderzochte gevallen het UWV een verzoek om een Wajong uitkering onterecht heeft afgewezen. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat in 9% van de gevallen het UWV een uitkering heeft toegekend terwijl er volgens de criteria geen recht hoorde te zijn. Het onderzoek waar deze cijfers uitkomen is van het interne kwaliteitsbureau van het UWV zelf. Onderzoekers vinden de resultaten zorgwekkend en roepen het bestuur op tot het nemen van maatregelen.

Door de politiek zijn zowel landelijk als lokaal vragen gesteld over dit onderwerp.

Het UWV heeft inmiddels gesteld dat Trouw de cijfers niet op orde heeft en geeft aan zich niet te herkennen in het beeld. Om hier transparant over te zijn heeft het UWV een persbericht uitgegeven en de rapporten waarop Trouw zich baseert openbaar gemaakt.

Naar boven

En verder ...

Naar boven


JURISPRUDENTIE

Gemeente weet gebrekkige houding en gedrag tijdens sollicitatie niet te bewijzen

De gemeente Heiloo heeft een uitkeringsgerechtigde in contact gebracht met een bedrijf in telemarketing. Naar aanleiding van een sollicitatiegesprek met deze kandidaat en het meeluisteren van enkele verkoopgesprekken door hem, is besloten hem niet aan te nemen. Uit een terugkoppeling door de werkgever aan de gemeente valt op te maken dat belanghebbende niet gemotiveerd was voor het werk. Zo heeft hij aangegeven dat hij in opdracht van de gemeente naar de sollicitatie was gekomen, dat het werken als telemarketeer niet bij hem paste en dat hij niet goed kon verkopen. De gemeente benadert de uitkeringsgerechtigde om dit verhaal van de werkgever bij hem te staven. De lezing van werkgever en sollicitant blijken haaks op elkaar te staan. Op basis van deze gegevens besluit de gemeente een maatregel op te leggen op basis van artikel 18 lid 4 onderdeel g PW, het 'door houding en gedrag geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen'. Nadat de rechtbank dit eerder heeft bevestigd, stelt de Centrale Raad in deze uitspraak dat voor een maatregel geen ruimte is. Er is onvoldoende bewijs om te stellen dat de uitkeringsgerechtigde afstemmingswaardig gedrag heeft laten zien.

Voor de volledige uitspraak klikt u hier.

Naar boven

Bij ex-gehuwden dient de boete op individuele wijze vastgesteld te worden

Naar aanleiding van het schenden van de inlichtingenplicht is door de gemeente Waterland een boete opgelegd. Ten tijde van het schenden van deze verplichting werd de bijstand verleend aan een echtpaar maar wanneer de boete wordt opgelegd is hier geen sprake meer van. Door de gemeente is ťťn boete opgelegd en beide (ex-)echtgenoten zijn ieder hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het betalen van deze boete. Doordat er sprake is van recidive stelt de gemeente dat de boete 150% moet zijn van de oorspronkelijk op te leggen sanctie. Door de Centrale Raad van Beroep is geoordeeld dat deze enkelvoudige benadering niet past bij het bestraffende karakter dat de boete in zich heeft. Zo stelt de gemeente dat er bij deze schending van de inlichtingenplicht sprake is van opzet. In hoger beroep gaat de Raad deels mee in het betoog van partners dat er geen sprake is het willens en wetens frauderen. Hier maakt zij namelijk de knip en bekijkt zij de verwijtbaarheid per partner. Zo blijkt uit het dossier dat het de man van het echtpaar is die opzet kan worden verweten, maar dat er bij de vrouw sprake is van grove schuld. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt aan de hand van deze constatering voor beide (ex-)echtgenoten de boete afzonderlijk. Nu beiden een aparte boete opgelegd krijgen en, ook deze bij elkaar opgeteld in totaal, niet hoger mogen zijn dan het benadelingsbedrag introduceert de Raad een rekenmethode om naar verhouding een evenredige boete op te leggen die niet boven het benadelingsbedrag uitkomt. In de berekening deelt de Raad de oorspronkelijk op te leggen boete per partner door het totaalbedrag van beide boetes. De uitkomst van deze berekening wordt weer vermenigvuldigd met het benadelingsbedrag om het bedrag per partner vast te stellen. Vervolgens beoordeelt de Raad of de boete binnen de wettelijk vastgelegde marges ligt uit artikel 23 Sr, waarna nog naar de draagkracht van belanghebbenden wordt gekeken om de boete verder te matigen. Als laatste stelt de Centrale Raad dat hier geen ruimte is voor hoofdelijke aansprakelijkheid omdat de tekst uit artikel 18a lid 9 PW geen verleden tijd bevat. Als ten tijde van de boeteoplegging geen sprake is van een echtpaar gaat deze bepaling dus niet op.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Individuele inkomenstoeslag kent geen minimum- of maximumhoogte

Naar aanleiding van eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep heeft de gemeente Rotterdam zijn regels omtrent de individuele inkomenstoeslag aangepast. Vanaf dat moment krijgt eenieder in deze gemeente die recht heeft op deze toeslag eenzelfde bedrag toegekend. Ongeacht de leefsituatie. Nu buigt de Centrale Raad zich opnieuw over de verordening inkomenstoeslag van deze gemeente. De Raad stelt vast dat er in de PW, de geschiedenis en de totstandkoming daarvan geen aanknopingspunten zijn te vinden voor een minimum- of maximumhoogte van de inkomenstoeslag. Ook blijkt niet dat er een verplichting op de gemeente rust om te differentiŽren in hoogten van de toeslag al naargelang de leefsituatie. Het hoger beroep heeft geen gevolgen voor de werkwijze van de gemeente.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Uitsluiting verblijf buitenland houdt verband met territorialiteitsbeginsel niet met arbeidsverplichtingen

Wanneer een bijstandsgerechtigde langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland bestaat er geen recht op bijstand. In deze procedure is een uitkeringsgerechtigde het niet eens met het besluit van de gemeente Groningen waarin is bepaald dat over alle kalenderdagen dat deze persoon te lang in het buitenland heeft verbleven geen recht op bijstand bestaat. In het idee van deze persoon moet het zo zijn dat enkel rekening wordt gehouden met de werkdagen waarop er te lang in het buitenland is verbleven. De Raad gaat hier niet in mee. Deze uitsluitingsgrond is nadrukkelijk gekoppeld aan het territorialiteitsbeginsel dat de PW kent en niet aan het feit dat de arbeidsverplichtingen niet volledig kunnen worden nageleefd bij een te lang verblijf in het buitenland. Dit laatste zou volgens belanghebbende van doorslaggevende betekenis moeten zijn, maar de Raad stelt vast dat de terugvordering over alle dagen dat zij te lang in het buitenland heeft verbleven in stand kan worden gelaten.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Niet meer kunnen beschikken over vermogen zorgt voor een lagere draagkracht

Wanneer de gemeente, na een schending van de inlichtingenplicht een boete oplegt, houdt de gemeente rekening met het feit dat er aanwezig vermogen is. De boete wordt door de gemeente niet naar draagkracht niet gematigd. In hoger beroep stelt de Centrale Raad van Beroep dat er ten onrechte is uitgegaan van aanwezig vermogen bij het opleggen van de boete. Hierin weegt de Raad mee dat over een aanzienlijke periode het gehele recht op bijstand is ingetrokken en teruggevorderd. Ook claimt belanghebbende dat het saldo van de bankrekening, waar het schenden van de inlichtingenplicht over ging, er niet meer is. Dit zou zij over hebben gemaakt aan ouders om een lening af te betalen. De gemeente stelt dat het saldo nog steeds beschikbaar was ten tijde van het boete-onderzoek, nu het op de rekening van haar ouders staat. De Raad gaat hier niet in mee. Hier weegt zij onder meer in mee dat de gemeente binnen een jaar na het opleggen van de boete aan belanghebbende opnieuw bijstand toekent met een negatief vermogen van Ä - 15.367,15 en er dan dus kennelijk geen vermogen is dat redelijkerwijs beschikbaar te maken is. De Raad voorziet zelf in de zaak en brengt de eerder opgelegde boete fors naar beneden.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Afgewezen aanvraag inrichtingskosten bij kennelijk gebrekkige reserveringscapaciteit

Een gezin is in 2013 als statushouder gehuisvest in de gemeente Den Haag. Deze gemeente heeft destijds een lening verstrekt van Ä 4.500,-. Voor deze lening gold een aflossingsbedrag van Ä 66,18 per maand. In 2016 verhuist het gezin opnieuw. Deze verhuizing blijkt noodzakelijk te zijn vanwege de gezondheidsklachten van de moeder van het gezin, in 2013 was al bekend dat de eerste woning ongeschikt was en opnieuw verhuizen noodzakelijk zou zijn. Voor deze tweede verhuizing vraagt het gezin opnieuw bijstand ter hoogte van Ä 4.500,- en geeft hierbij aan door onder meer de eerdergenoemde aflossing niet gereserveerd te hebben. Daarnaast claimt het gezin dat zij in de tussentijd voor een totaalbedrag van Ä 4.154,89 ook een tweepersoonsbed, een wasmachine en een vaatwasser hebben moeten aanschaffen. Ook had het gezin verwacht dat er in de eerste woning wel een traplift geplaatst zou worden door de gemeente, maar deze werd afgewezen. Met dit laatste punt had het gezin rekening moeten houden volgens de Raad. Daarnaast stelt de Raad vast dat de goederen als een bed, wasmachine en een vaatwasser, voor zover noodzakelijk, van de eerst verstrekte lening gekocht hadden moeten worden. De Raad stelt vast dat er door de tweede verhuizing weliswaar sprake is van noodzakelijk te maken kosten, maar acht onvoldoende aanleiding aanwezig om bijzondere omstandigheden aan te nemen, hierin wordt ook meegewogen wat de gemeente de afgelopen jaren heeft verstrekt aan inkomensondersteunende regelingen. De gemeente heeft daarom terecht de aanvraag woninginrichting afgewezen.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Gemeente treedt terecht niet in overleg met IND

Een Roemeen ontvangt bijstand naar de norm van een alleenstaande. Nadat zijn Roemeense partner is in komen wonen, wordt verzocht de bijstand te wijzigen naar de gehuwdennorm, zij hebben samen een kind. Dit weigert de gemeente. Eenzelfde verzoek wordt ongeveer zeven maanden later nogmaals gedaan. Al voor het eerste verzoek van belanghebbende blijkt zijn partner in de BRP opgenomen te zijn met de vermelding emigratie naar RoemeniŽ. Ten tijde van het tweede verzoek bleek dat in de maanden daarvoor de partner in verband met relatieproblemen weer een aantal maanden in RoemeniŽ heeft verbleven. De gemeente neemt contact op met de IND en de medewerker geeft aan dat er geen verblijfsrecht voor de partner bestaat en er daardoor ook geen sprake kan zijn van een gelijkstelling met een Nederlander. Er is dus geen recht op bijstand. In hoger beroep stelt het echtpaar dat de gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen navraag te doen bij de IND en niet in overleg te treden, terwijl dit laatste volgens het echtpaar wel een verplichting is voor de gemeente. Hier is de Raad het niet mee eens, zij vindt dat de gemeente zorgvuldig heeft gehandeld en laat het door de gemeente genomen besluit, dat er slechts 50% van de gehuwdennorm wordt verstrekt, in stand.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Verrekening zonder bescherming beslagvrije voet niet in strijd met recht van het kind

Een bijstandsgerechtigde moet vanuit zijn norm een minderjarig kind en zijn partner onderhouden, een verzoek om een gezinsnorm toe te kennen is eerder door de gemeente afgewezen. Hier is men niet tegen in verweer gekomen. Naar aanleiding van een informatieverzoek heeft belanghebbende loonstroken overlegd waaruit blijkt dat er tot Ä 522,41 teveel aan bijstand is uitbetaald. De gemeente legt een boete op en verrekent de kosten van bijstand middels een terugvordering in de drie daarop volgende maanden. Nu belanghebbende door deze verrekening onder de beslagvrije voet terecht is gekomen met zijn inkomen, wordt er een beroep gedaan op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Een beroep hierop slaagt echter niet. De Centrale Raad is van oordeel dat er geen sprake is van het onvoldoende rekenschap geven van de belangen van het kind. Het verrekenen van de bijstand, zonder bescherming van de beslagvrije voet, is een wettelijke bevoegdheid van de gemeente. In deze uitspraak gaat de Centrale Raad ook akkoord met het feit dat niet opgegeven inkomsten worden teruggevorderd en dat deze middels artikel 58 lid 4 PW worden verrekend met de bijstand. Het bedrag dat wordt teruggevorderd blijft na de uitspraak van de Raad ook de basis vormen voor de boete die is opgelegd voor het schenden van de inlichtingenplicht.

Klik hier voor de uitspraak.

Naar boven

Artikel

Herstelartikel nader belicht

BeŽindiging schuldhulpverlening geeft meer duidelijkheid over bevoegdheid tot correctie

Er zijn ogenschijnlijk eenvoudige besluiten die bij nader inzien toch ingewikkelde vragen oproepen. Zo stelde een gemeente in een fraudeonderzoek vast dat ťťn van haar uitkeringsgerechtigden een tweetal huizen in bezit had in Turkije waar geen melding van was gemaakt. Aanleiding om het lopende bijstandsrecht in te trekken. Maar daar bleef het niet bij. Belanghebbende bleek ook toegelaten te zijn tot de gemeentelijke schuldhulpverlening. Ook die afdeling liet er geen gras over groeien en beŽindigde de schuldhulpverlening wegens schending van de in de lokale beleidsregels opgenomen informatieplicht. Voor de belanghebbende komt dat er op neer dat hij vanaf de datum beŽindiging van de bijstand de eerst komende vijf jaar geen aanvraag schuldhulpverlening meer mocht indienen. Kan dat zomaar? Of in bestuursrechtelijke termen: heeft een bestuursorgaan de bevoegdheid om een lopend recht te beŽindigen als de rechtmatigheid van een ander besluit waarop de beŽindiging van de schuldhulpverlening is gebaseerd nog niet vaststaat? Of dient een besluit eerst formele rechtskracht1 te verkrijgen alvorens aan de inhoud van dat besluit rechtmatigheid kan worden toegekend? De belanghebbende beriep zich in bezwaar ook op het feit dat de gemeente ten onrechte niet haar beleidsregel heeft gehanteerd om van de vijfjarige uitsluiting af te wijken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze moeten dan tot onbillijkheden van overwegende aard leiden. Een punt waar in de beschikking op bezwaar geen enkele aandacht is geschonken. De rechtbank concludeert in de beroepsfase dan ook dat dit ten onrechte is maar dat een dergelijk gebrek met gebruikmaking van artikel 6:22 Awb2 kan worden gepasseerd. Dit vormt de aanleiding voor de Afdeling van de Raad van State om in haar hoger beroep uitspraak nader in te gaan op de betekenis van dit artikel. Wenselijk omdat dit artikel bij gelegenheid van de invoering van de Crisis en herstelwet3 opnieuw is geredigeerd en qua toepassing enigszins verruimd. Allemaal met als doel om tot een effectievere rechtspraak te komen waar definitieve geschilbeslechting voorop staat. Daarvoor was rechtmatigheid van besluiten het axioma waar alles om draaide in het bestuursrecht. Anders gezegd: de paradigmashift is, van rechtmatigheid van besluiten naar definitieve geschilbeslechting.

Met de beŽindiging van de schuldhulpverlening hebben zowel de rechtbank in beroep als de Afdeling in hoger beroep weinig moeite. Immers, de schending inlichtingenplicht was evident dat maakte dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen om de schuldhulpverlening te beŽindigen. De rechtbank had er ook geen moeite mee dat het college geen aanleiding heeft gezien om op grond van bijzondere omstandigheden een uitzondering te maken op haar eigen beleidsregels. In hoger beroep stelt de belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit tot beŽindiging van de schuldhulpverlening mocht worden gebaseerd op het gegeven dat hij beschikte over vermogen in de vorm van onroerend goed in Turkije. Die informatie is in het uitkeringstraject bekend geworden. Toen het besluit beŽindiging schuldhulpverlening werd genomen was de procedure tegen de intrekking van de uitkering nog niet afgerond en speelde de vraag of het onderzoek dat heeft geleid tot de informatie dat belanghebbende onroerend goed in Turkije bezit wel rechtmatig was. Volgens belanghebbende mag schuldhulpverlening niet tussentijds worden beŽindigd op basis van een omstandigheid waarover nog wordt geprocedeerd. Met andere woorden: de vraag naar de rechtmatigheid van besluiten die nog geen formele rechtskracht hebben. Deze vraag beantwoordt de Afdeling in kernachtige bewoordingen, die tot de basisdoctrine van ons bestuursrecht behoren. Van de rechtmatigheid van besluiten door bestuursorganen dient te worden uitgegaan totdat de onrechtmatigheid ervan is komen vast te staan. Daar is geen woord Frans bij. Wat betekent dat dan praktisch? De Afdeling oordeelt dat het college onder verwijzing naar het besluit tot stopzetting van de bijstandsuitkering en het daaraan ten grondslag gelegde onderzoek naar bijstandsfraude mocht besluiten om de schuldhulpverlening te beŽindigen. Aan het verzoek van de belanghebbende om de zaak aan te houden tot de Centrale Raad van Beroep daarover heeft beslist wordt geen gehoor gegeven. Dan resteert natuurlijk nog wel het punt dat de rechtbank ten onrechte zou hebben geoordeeld, dat in het besluit tot beŽindiging van de schuldhulpverlening, niet is ingegaan op de uitsluitingstermijn en dat dit zou kunnen worden gepasseerd met een beroep op artikel 6:22 van de Awb. Hoe zit dat dan? Toepassing van artikel 6:22 Awb, zo stelt de Afdeling, is mogelijk indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er niet zonder meer van uitgegaan worden dat belanghebbende door het gebrek niet is benadeeld. Alleen indien evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet is benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college in haar beschikking op bezwaar niet is ingegaan op de bezwaargrond over de uitsluitingstermijn. Een duidelijk motiveringsgebrek dat aanleiding had moeten zijn voor de rechtbank om tot vernietiging van de beschikking op bezwaar over te gaan.4 Dat is geen schending van een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel dat met artikel 6:22 Awb gepasseerd kan worden. Wel hadden de rechtsgevolgen gewoon in stand kunnen blijven.5

Wat brengt ons deze uitspraak van de Afdeling? Voor wat betreft de wereld van de schuldhulpverlening geen verrassende nieuwe inzichten. Ook niet als het gaat om de vraag naar de rechtmatigheid van besluiten zolang de rechtskracht daarvan nog niet vast staat. Wel als het gaat om artikel 6:22 Awb, haar betekenis en wanneer die bevoegdheid te gebruiken (alleen als evident is dat belanghebbende door het geconstateerde gebrek in het onderliggende besluit niet is benadeeld). Verder valt in deze casus op dat de gemeente in haar beleidsregels de informatieplicht voor belanghebbenden heeft vastgelegd. Opmerkelijk, omdat zij daarmee feitelijk artikel 6 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening herhaalt in haar eigen beleidsregels. Daar zijn beleidsregels niet voor. Beleidsregels kunnen slechts gaan om de vaststelling van feiten, de uitleg van een wettelijke voorschrift of hoe de belangen worden afgewogen.6

Gjalt Schippers,
Staffunctionaris/ADR register mediator,
Langhenkel Opleiding, Training en Advies

  1. Bestuursrechtelijke besluiten krijgen formele rechtskracht door het ongebruikt verstrijken van de bezwaar- beroepsperiode of door een uitspraak van de hoogste bestuursrechter.
  2. Artikel 6:22 Awb zegt: Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet zijn benadeeld.
  3. 31 maart 2010
  4. 8:72 eerste lid Awb
  5. 8:72 derde lid onder a Awb
  6. Artikel 1:3 vierde lid Awb

Naar boven

Aan de totstandkoming van deze nieuwsbrief is de uiterste zorg besteed. Voor informatie die nochtans onvolledig of onjuist is opgenomen, aanvaarden de auteur(s), redactie en uitgever geen aansprakelijkheid. Voor eventuele verbeteringen van de opgenomen gegevens houden zij zich aanbevolen. Aan de inhoud van deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend. Indien u geen prijs stelt op toezending van deze nieuwsbrief, dan kunt u zich hier afmelden.