Kop
         
 
Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Er zijn nog plaatsen bij de volgende opleidingen en cursussen:

Opleiding juridisch
beleidsmedewerker
Omgevingsrecht

(18 dagen), start
29 april in Zwolle
Losse modules
volgen is mogelijk


Basiscursus wet
natuurbescherming,

23 mei in Rosmalen

Cursus milieueffect-
rapportage,

28 mei in Zwolle


Al onze cursussen
en trainingen
kunnen in company
worden verzorgd.
Klik hier om direct
een offerte aan
te vragen.
Ons complete
opleidingsaanbod
vindt u hier.


Doe mee met de
gratis KennisQuiz
Omgevingsrecht
.

Gratis schema's
mediation

Nieuw: gratis
schema's mediation
en beleidsbemiddeling,
klik hier om ze
te downloaden.


Dit is de eerste uitgave van De Langhenkel Nieuwsbrief Omgevingsrecht in het jaar 2019. Onze medewerkers, klanten en overige belangstellenden kunnen zich gratis abonneren op deze nieuwsbrief via www.langhenkel.nl. De nieuwsbrief zal dan per e-mail worden toegezonden.

De Langhenkel Nieuwsbrief Omgevingsrecht wordt samengesteld door Ruud Otte. Voor opmerkingen of suggesties over deze nieuwsbrief kunt u ons bereiken via opleidingen@langhenkel.nl. Ook als u beschikt over interessante uitspraken die naar uw oordeel dienen te worden opgenomen in de nieuwsbrief, dan vernemen wij graag van u.


INHOUDSOPGAVE

NIEUWSBERICHTEN

Bouwen

Milieu
Omgevingswet

JURISPRUDENTIE


NIEUWSBERICHTEN

Bouwen

Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (17e tranche)

Op 16 februari 2019 is het besluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (17e tranche) in werking getreden (vastgesteld op 25 januari 2019 en gepubliceerd in het Staatsblad 2019-53 van 5 februari 2019).

In de 17e tranche is onder andere bepaald dat zes gemeenten in afwijking van het Bouwbesluit 2012 een lagere energieprestatiecoëfficiënt (EPC) dan 0,2 voor nieuw te bouwen woningen mogen hanteren. Van de zes gemeenten geldt die lagere norm in twee gemeenten (Giessenlanden en Zuidhorn) specifiek voor twee gebieden; voor de overige vier gemeenten geldt de norm gemeentebreed.
In de Nota van Toelichting op het ontwerpbesluit wordt als motivering vermeld het mogelijk maken van maatwerk, het geven van ruimte aan lokale duurzaamheidsambities en het stimuleren van de woningbouw na de economische crisis.

Bij de behandeling van het ontwerpbesluit heeft de Neprom bij brief van 26 april 2018 een zienswijze op het ontwerpbesluit ingediend en heeft de VVD op 24 mei 2018 een motie (dossier 32127, nr. 228) ingediend. In de brief van 26 april 2018 stelt de Neprom dat het mogelijk maken van een lagere EPN leidt tot rechtsonzekerheid, het niet duidelijk is wat het oplevert en het leidt tot meerkosten voor de marktpartijen. De VVD roept in de motie van 24 mei 2018 op om de 17e tranche te schrappen. De motie is op 24 mei 2018 verworpen.

In de tussentijd heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brief van 9 mei 2018 gereageerd aan de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over de gestelde kamervragen. In haar reactie stelt de Minister dat reeds 11 gemeenten een strengere EPC hanteren dan het Bouwbesluit 2012 en dat meer gemeenten hiervoor belangstelling hebben.

Buiten de door de Minister genoemde 11 gemeenten zijn er reeds gemeenten, die een lagere EPC hanteren om duurzaamheid te stimuleren. Voorbeelden van dergelijke stimulansen zijn lagere bouwleges, een korting op de grondprijs en subsidies.

Klik hier voor meer informatie.

Naar boven


Wet Kwaliteitsborging bouwen

Met het oog op de Wet Kwaliteitsborging bouwen (= gedeeltelijke privatisering van Bouw- en Woningtoezicht) heeft de gemeente Rotterdam het pilotproject 'Architect aan Zet' gehouden. Dit project betrof een pilot om te onderzoeken hoe architecten zo veel mogelijk verantwoordelijk kunnen worden gemaakt voor de toetsing van het ontwerp aan wet- en regelgeving en het toezicht op de bouwplaats. Voor relatief eenvoudige bouwprojecten met een laag risicoprofiel zou worden onderzocht welke baten en risico's de door de overheid voorgestelde private kwaliteitsborging meebrengt wanneer de verantwoordelijkheid daarvoor bij de architect wordt gelegd.

In 2018 is de evaluatie van het project gepubliceerd. De BNA wijdt op zijn website (Pleidooi voor grotere rol architecten bij kwaliteitsborging - BNA) daaraan aandacht. Enkele uitkomsten uit de evaluatie zijn dat de kennis van architecten over bijvoorbeeld brandveiligheid onvoldoende bleek te zijn en dat architecten extra aandacht moeten geven aan de welstandseisen. In een aantal gevallen maakten de betrokken architecten gebruik van elkaars expertise door een collega mee te laten kijken. Een bepaalde vorm van schaduwtoezicht is volgens de initiatiefnemers van het project voorlopig nog wel essentieel. Op de grotere verantwoordelijkheid van architecten moet enige mate van toezicht zijn zodat ingegrepen kan worden door de gemeente, bijvoorbeeld indien het gerealiseerde bouwwerk niet blijkt te voldoen aan de regelgeving.

Het pilotproject en de evaluatie roepen wel enkele vragen op. Voorbeelden van vragen zijn:

  • Architectenbureaus hebben meerdere opdrachtgevers. Mogen architectenbureaus, die bouwplannen toetsen en toezicht houden op de bouwplaats namens de gemeente, ook opdrachten accepteren van de betrokken marktpartijen? Indien een architectenbureau niet 'meegaand' is in de toetsing of in het toezicht met betrekking tot een bouwplan van een bepaalde marktpartij dan bestaat het risico dat het architectenbureau een opdracht van die marktpartij dreigt mis te lopen.
  • Gemeenten maken gebruik van (zaak)systemen voor het registreren van vergunningaanvragen en (de voortgang van) de behandeling ervan. Hebben architectenbureaus toegang tot die gemeentelijke (zaak)systemen? Indien dit niet het geval is dan moeten medewerkers van een gemeente die informatie zelf invoeren in de systemen.
  • Volgens de evaluatie vallen de kosten voor de vergunningaanvraag, i.c. de bouwleges, in de toekomst weg als het project 'Architect aan Zet' wordt voortgezet. Zowel de architect als de gemeente maakt kosten. Hoe worden die betaald c.q. gedekt?
  • In voorkomende gevallen is afstemming met andere sectorale wet- en regelgeving nodig. Gedacht kan worden aan hogere grenswaarden Wet geluidhinder en kostenverhaal. Is die afstemming ook ondergebracht bij de architectenbureaus? Zo nee, dan wordt feitelijk de gedachte van 'één loket' vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht losgelaten.
  • Uit de evaluatie kan niet worden opgemaakt of er vergunningen zijn geweigerd. Is dat voorgekomen? Zo ja, hoe zijn de architectenbureaus daarmee omgegaan?
  • De ervaringen met 'Architect aan Zet' zijn overwegend positief, met name de kortere doorlooptijd van de vergunningaanvragen. Uit de evaluatie wordt echter niet duidelijk of de totale bestede tijd per vergunningaanvraag is gedaald.

Klik hier voor meer informatie.

Naar boven


Milieu

Asbestverwijdering

In veel situaties is momenteel onduidelijk wat de blootstelling aan asbest (door inhalatie) werkelijk is, en daarmee wat de bijbehorende gezondheidsrisico's zijn. Hierdoor is het veelal niet mogelijk om vast te stellen wat proportionele veiligheidsmaatregelen zijn.

In opdracht van Aedes (vereniging van woningcorporaties) en de corporaties Talis (Nijmegen), Mitros (Utrecht), Vestia (Rotterdam) en Woonbron (Rotterdam) is daarom onderzoek gedaan naar het vaststellen van de blootstellingsrisco's in een aantal concrete situaties (scenario's) en het daarbij behorende gezondheidsrisico om vast te stellen wat de kosten en baten zijn van asbestbeschermingsbeleid in deze situaties.

De uitkomsten van het onderzoek geven aan dat met name in situaties met beroepsmatige blootstelling de risico's op gezondheidsschade op lange termijn groot kunnen zijn. In één scenario is sprake van een zeer hoog risico op kanker. Dit betreft het scenario waarin werknemers elke dag plafondplaten met niet-hechtgebonden asbest slopen zonder persoonlijke bescherming. Voor die situatie is een beschermingsbudget beschikbaar van tussen de € 10.000 en € 24.000 per jaar, afhankelijk van de asbestsoort. Het huidige Nederlandse asbestbeschermingsbeleid is voor deze situatie dus terecht streng.

In een aantal scenario's is het risico hoger of ongeveer gelijk aan wat het maximaal toelaatbaar risico wordt genoemd. Dat is het risiconiveau dat in Nederland acceptabel wordt geacht voor blootstelling van werknemers en de bevolking. Een typisch voorbeeld van zo'n scenario is de installateur die enkele malen per maand per ongeluk in een asbesthoudend plafond boort. Het beschermingsbudget dat in deze situatie proportioneel is bedraagt een tiental euro's per jaar waarvoor bijvoorbeeld een stofzuigeraansluiting op een boormachine kan worden aangeschaft.

In alle andere situaties zijn de risico's lager dan het maximaal toelaatbar risico (MTR) of het verwaarloosbaar risiconiveau (VR) (lager dan het streefniveau voor gezondheidsrisico's) en zijn beschermingsmaatregelen daarmee niet noodzakelijk. Het gaat hier om scenario's als brand, wonen of werken in een gebouw met asbest en het verwijderen van asbestcementdaken.

Concluderend, voor een aantal gevallen zijn de te nemen beschermingsmaatregelen voor asbestverwijdering op grond van de geldende wet- en regelgeving onevenredig streng en kostbaar.

Klik hier voor meer informatie.

Naar boven


Baten van bomen

Een groene omgeving stimuleert de gezondheid en milieukwaliteit. Het is ook een belangrijk middel in de noodzakelijke klimaatadaptatie. Bomen zijn hierin onmisbaar. Maar hoe meet je de baten van bomen? Dat kan met het programma iTree Eco Nederland. Hierover is onlangs de publicatie 'De baten van bomen, resultaten van i-Tree Eco in Nederland' verschenen.

Klik hier voor meer informatie.

Naar boven


Kaderrichtlijn Water

In opdracht van Natuur & Milieu is onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de Nederlandse wateren. In het bijzonder is gekeken naar de kwaliteit van de 'overige wateren': deze categorie bestaat vooral uit beekjes, sloten, grachten, vijvers en andere kleine wateren. Deze wateren worden momenteel nauwelijks gemonitord, maar omvatten wel ongeveer een derde van al het oppervlaktewater in Nederland (minus het IJsselmeer en randmeren).

Tijdens het onderzoek bleek dat de Nederlandse waterkwaliteit sterk onder druk staat, met negatieve gevolgen voor onder andere de biodiversiteit en drinkwatervoorziening. In het rapport worden de knelpunten onderzocht voor het verbeteren van de waterkwaliteit en hoe deze kunnen worden weggenomen. Natuur & Milieu wil met dit onderzoek en advies de waterschappen, Rijksoverheid, lokale overheden en andere partijen uit de 'watersector' helpen om het herstel van de biodiversiteit in het Nederlandse oppervlaktewater te versnellen en daarmee de waterkwaliteit van Nederlandse wateren te verbeteren. Dit is ook nodig om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW, Europese richtlijnen voor de kwaliteit van Europese wateren) uiterlijk in 2027 te behalen. De noodzaak om nu in actie te komen is duidelijk: herstel van ecologische waterkwaliteit is een complex en langdurig proces en de vervuiling maakt het steeds moeilijker en duurder om water te zuiveren.

Klik hier voor meer informatie.

Naar boven


OMGEVINGSWET

Aanvullingsbesluit geluid

Van 25 februari 2019 tot en met 8 april 2019 is het Aanvullingsbesluit geluid in consultatie. Het Aanvullingsbesluit geluid wijzigt drie van de vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) van de Omgevingswet. Het wijzigt vooral het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook het Omgevingsbesluit en het Besluit bouwwerken leefomgeving worden aangevuld. Het Aanvullingsbesluit geluid is een uitwerking van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. Op 1 januari 2021 gaat de Aanvullingswet op in de Omgevingswet, net als de aanvullingswetten voor bodem, grondeigendom en natuur. De Aanvullingswet geluid is onderdeel van de vernieuwing van het stelsel van het omgevingsrecht. De aanvullingswetten zijn afzonderlijke wetten, omdat er ook nieuw beleid in staat.

Met dit aanvullingsbesluit komt de regelgeving voor geluid van infrastructuur en industrieterreinen in het integrale stelsel van de Omgevingswet. De regels over geluid door andere activiteiten staan al in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Klik hier voor meer informatie.

Naar boven


Planschade

Op 7 maart 2018 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet behandeld en in het bijzonder het onderwerp planschade. In het wetsvoorstel is daarover het volgende vermeld: Als schade bestaat uit waardevermindering van een onroerende zaak, wordt van die schade in ieder geval een deel ter grootte van vijf procent van de waarde van de onroerende zaak aangemerkt als behorend tot het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Enkele kamerfracties vonden een standaard forfait van 5% te hoog voor gedupeerden van ruimtelijke ontwikkelingen. Zij ondervinden (financieel) nadeel van ontwikkelingen, waar anderen voordeel van hebben. Om die reden wilden verschillende kamerfracties het forfait terugbrengen naar 'ten minste 2%' met als mogelijk effect dat in meer situaties planschade moet worden vergoed. De vrees van beleidsmakers, bestuurders en ontwikkelaars is dat minder plannen worden gerealiseerd en dat innovatieve plannen worden geremd. De motie van het CDA en GroenLinks voor een vast forfait van 4% - onderschreven door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - is door de Tweede Kamer aangenomen.

De motie van de SGP om planschade al toe te kennen bij de vaststelling van een plan in plaats van het moment van vergunningverlening, is verworpen door de Tweede Kamer. Aan deze motie zijn namelijk de volgende nadelen verbonden: planschadevergoeding kan al worden geclaimd voordat er een bouwplan is ontwikkeld en er wordt een mogelijkheid geïntroduceerd om nieuwe plannen te blokkeren.

Klik hier en hier voor meer informatie.

Naar boven


Staalkaarten

Binnen het programma 'Aan de slag met de Omgevingswet' worden de staalkaarten ontwikkeld. Staalkaarten dienen als inspiratiebron bij het maken van een omgevingsplan. Staalkaarten laten zien wat er allemaal mogelijk is. Elk gebied en elke ruimtelijke opgave kent zijn eigen dynamiek. Daarnaast zijn er verschillende wegen die leiden naar een omgevingsplan. Het maken van een omgevingsplan is een zoekproces. Staalkaarten zijn geen modelverordeningen maar geven voorbeelden hoe het zou kunnen. Er zijn nu vier staalkaarten:

  • bedrijfsmatige activiteiten;
  • buiten centrum stedelijk gebied;
  • centrum stedelijk gebied;
  • energietransitie.

Klik hier en hier voor meer informatie.

Naar boven


Standaarden

Op 21 december 2018 hebben KOOP en Geonovum de 0.97 versie van de Standaard Officiële Publicaties met specifieke toepassingsprofielen voor Omgevingsdocumenten (STOP/TPOD) opgeleverd. De consultatie over deze standaarden is van 28 januari tot 22 maart 2019.

Op basis van de 0.97 versie van deze STOP/TPOD standaarden kunnen softwareleveranciers starten met de ontwikkeling van software voor de bevoegde gezagen. De STOP standaarden beschrijven de functies 'opstellen', 'vaststellen', 'bekendmaken' en 'beschikbaar stellen' van officiële publicaties. De TPOD standaarden zorgen ervoor dat juridische artikelen aan werkingsgebieden en geometrie zijn gekoppeld.

Conceptueel informatiemodel
Naast STOP/TPOD is er ook een Conceptueel informatiemodel (CIM). Dit (informatie)model definieert de informatie die een rol speelt in de Omgevingswet met concepten zoals regel, activiteit, locatie, begrip of omgevingswaarde, inclusief hun kenmerken en onderlinge relaties. Daarnaast zijn er het Informatiemodel officiële publicaties (IMOP) en het Informatiemodel toepassingsprofielen (IMTP) om omgevingsdocumenten correct te kunnen publiceren in de landelijke voorziening.

Klik hier voor meer informatie.

Naar boven


JURISPRUDENTIE

Nadeelcompensatie vanwege wijziging Algemene Plaatselijke Verordening

De essentie van deze casus is het aanleveren van (aanvullende) gegevens - als onderdeel van een verzoek om nadeelcompensatie - en het aantonen van de juistheid van de aangeleverde gegevens door het bevoegde gezag.

Op 17 augustus 2010 is de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2009 (APV) gewijzigd vastgesteld waardoor vanaf 1 januari 2016 het exploiteren van prostitutie-inrichtingen in het zogenoemde A-kwartier, gelegen in het westelijk deel van de binnenstad van Groningen, niet meer is toegestaan. De eigenaar van zes panden in dit gebied, die vijf ervan verhuurde tot 1 januari 2016 aan derden - die deze panden exploiteerden als raamprostitutie-inrichtingen - en één pand zelf exploiteerde tot 1 januari 2016 als raamprostitutie-inrichting, heeft een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Groningen. Door de wijziging van de APV kunnen de panden vanaf 1 januari 2016 niet meer worden gebruikt als prostitutie-inrichting terwijl zij specifiek daarvoor zijn ingericht.

Het college heeft het verzoek afgewezen, zowel bij primair besluit van 11 mei 2016 als bij beslissing op bezwaar van 15 september 2016, omdat verzoeker de juistheid van de aangeleverde gegevens niet heeft onderbouwd. Tegen het besluit van 15 september 2016 heeft verzoeker beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 oktober 2017 het beroep gegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het aan het college om de juistheid van de aangeleverde gegevens aan te tonen en indien daarover twijfel bestaat, de onjuistheid daarvan aan te tonen. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar deugdelijk feitenonderzoek te verrichten. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft het college zowel hoger beroep ingesteld als een nieuw besluit op bezwaar genomen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van het college ongegrond verklaard en het nieuwe besluit op bezwaar van 23 februari 2018 vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 (zorgvuldigheid en belangenafweging) en artikel 7:12, lid 1 (deugdelijke motivering) van de Algemene wet bestuursrecht.
De argumentatie van de Afdeling is: aan de besluitvorming van het college is een uitgebreid onderzoek door de nadeelcompensatiecommissie voorafgegaan. Het college beschikte dan ook reeds over een groot aantal gegevens en bescheiden. De brief van 28 november 2017 van het college - voorafgaand aan het besluit van 23 februari 2018 - over het wederom opvragen van aanvullende gegevens over de juistheid van de eerder aangeleverde gegevens bij verzoeker, is te algemeen geformuleerd.

In de uitspraak van de Afdeling vallen enkele zaken op:

  • Nadat het verzoek om nadeelcompensatie inhoudelijk is beoordeeld, heeft het college aanvullende gegevens opgevraagd bij de verzoeker.
  • Het was logischer geweest om die aanvullende gegevens in het kader van de ontvankelijkheidstoets op te vragen.
  • Van de zes panden, die geëxploiteerd werden als raamprostitutie-inrichtingen, werden er vijf verhuurd aan derden. Het college stelt dat de vermeende inkomensschade ligt bij de exploitant(en) en niet bij de verzoeker, i.c. de eigenaar van de panden. Uitgaande van die stelling had de besluitvorming van het college moeten ingaan op de dubbelrol van de verzoeker als exploitant van één van de zes panden. De huurders / exploitanten van de overige vijf panden / raamprostitutie-inrichtingen hebben geen verzoek om nadeelcompensatie gedaan. De reden laat zich raden.
  • Je zou verwachten dat met de wijziging van de APV ook het ter plaatse geldende bestemmingsplan zouden worden herzien. Voor zover het bestemmingsplan nog niet is herzien dan wel de termijn van vijf jaar - waarbinnen een verzoek om planschadevergoeding moet zijn ingediend - nog niet is verstreken, is een planschadeverzoek nog steeds mogelijk. In dat geval komt deze casus wellicht terug.

Klik hier voor meer informatie.

Naar boven


Omgevingsvergunning beperkte milieutoets geitenhouderij en afstandscriterium

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft het college een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend voor het wijzigen van een bestaande legkippenhouderij naar een melkgeitenhouderij in Vlodrop. Bij besluit van 13 juni 2017 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 april 2018 heeft de rechtbank het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 juni 2017 vernietigd. De rechtbank heeft daarbij het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen belanghebbende is bij het besluit van 2 februari 2017. Hij stelt dat de rechtbank de afstand tussen zijn perceel en de inrichting verkeerd heeft berekend door uit te gaan van de locatie van de woning. De afstand moet volgens appellant worden berekend vanaf zijn perceelgrens. De afstand is daarom niet 850 meter, maar ongeveer 650 meter. Hij stelt dat hij gezien de afstand van zijn perceel tot de inrichting als belanghebbende moet worden aangemerkt, aangezien een geitenhouderij een risico op Q-koorts en andere aandoeningen, waaronder longontsteking, oplevert voor omwonenden. Hij verwijst hierbij onder meer naar verschillende onderzoeksrapporten. Dat dit gezondheidsrisico bestaat, betekent volgens appellant dat ter plaatse van zijn perceel 'gevolgen van enige betekenis' kunnen worden ondervonden, waardoor hij als belanghebbende moet worden aangemerkt.

De vraag waarvoor de Afdeling zich gesteld ziet, is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet kon worden aangemerkt als belanghebbende bij de verleende vergunning. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium 'gevolgen van enige betekenis' dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, dient bij de beoordeling van de belanghebbendheid van appellant de afstand van de geitenhouderij tot zijn perceel als uitgangspunt te worden genomen. De perceelgrens van appellant ligt op een afstand van ongeveer 650 meter van de inrichting. Gelet op deze afstand is het niet uitgesloten dat appellant gevolgen van enige betekenis ondervindt van de geitenhouderij in de vorm van een verhoogd gezondheidsrisico. De Afdeling vindt in de door appellant overgelegde rapporten steun voor dit oordeel. Appellant moet daarom worden aangemerkt als belanghebbende bij de omgevingsvergunning beperkte milieutoets.

Deze uitspraak is belangrijk vanwege het criterium 'afstand' in relatie tot het criterium 'gevolgen van enige betekenis'. Uit de praktijk zijn er voorbeelden bekend waar nog grotere afstanden van toepassing zijn. Vanuit die optiek bezien is Schiphol in samenhang met Lelystad een interessante casus. Zal de bestuursrechter bijvoorbeeld inwoners van de Veluwe bij een mogelijke uitbreiding van het aantal vluchten straks beschouwen als belanghebbenden?

Klik hier voor meer informatie.

Naar boven


Aan de totstandkoming van deze nieuwsbrief is de uiterste zorg besteed. Voor informatie die nochtans onvolledig of onjuist is opgenomen, aanvaarden de auteur(s), redactie en uitgever geen aansprakelijkheid. Voor eventuele verbeteringen van de opgenomen gegevens houden zij zich aanbevolen. Aan de inhoud van deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend. Indien u geen prijs stelt op toezending van deze nieuwsbrief, dan kunt u zich hier afmelden.